Voor Home klik op het Vino Amore logo! info@vinoamore.nl

Vino Amore

Wijnwereld schatplichtig aan Christendom

Wijnwereld schatplichtig aan Christendom

Wijnwereld schatplichtig aan Christendom

Inleiding

Wijnwereld schatplichtig aan Christendom – Of u het nu leuk vindt of niet, wij wijndrinkers hebben onze geneugten te danken aan het Joods-Christelijke culturele erfgoed. In een tijd waarin niemand meer oog schijnt te hebben voor historie en de schoonheid van het Christelijk geloof is het wel lef hebben om een dergelijk artikel te schrijven. Veel kennis zakt automatisch weg als je er geen aandacht aan geeft. Zulks is mij ook overkomen in het artikel over Dordrecht als historische wijnstad, maar dat terzijde. Wijn en Christendom lijken met elkaar verweven. In de Bijbel komen veel verwijzingen naar wijn voor. In het gebruik van wijn zitten meerdere lagen van symboliek. Denk aan gemeenschap, liefde, vergeving, hoop en vrolijkheid. Wijn speelt al duizenden jaren een belangrijke rol in de levens van mensen. In de Bijbel worden de begrippen wijn, wijnstok, wijngaard en aanverwante termen meer dan 400 maal gebruikt. Er wordt in de Bijbel grote waarde toegekend aan wijn. Het gebruik van wijn moet in die tijd zo’n gemeengoed zijn geweest dat het vergeleken kan worden met ons dagelijks gebruik van brood. Wijn was in Israel een geliefde drank, het hoorde standaard bij maaltijd. Het speelde zelfs zo’n centrale rol in de cultuur en religie dat er een levensgrote druivensculptuur bij de ingang van de tempel aanwezig was. Het belang van de druif voor de cultuur wordt duidelijk door een massief gouden druif versierde ingang van de tempel. Ook is bekend dat er bij synagogen druivenornamenten aanwezig waren. Omdat het gebruik van wijn bij een ieder bekend was, konden er aan de hand van wijn symbolische vergelijkingen gemaakt worden, omdat zowel de ontvanger als bedenker wisten waar ze over spraken. Vandaar dat in een groot aantal passages het edele sap werd gebruikt om gedachten en ideeën te onderbouwen of te verduidelijken. In vele verhalen in de Bijbel, variërend van de tijd van Noach tot aan die van Paulus komt de beschrijving en het gebruik van wijn terug. Ook Jezus was met wijnbouw vertrouwd, hij wist het product wijn in zijn gelijkenissen te betrekken. Nergens in de Bijbel geeft Jezus af op matig gebruik van wijn. Ook al werd hij door tegenstanders betiteld als zuiper en dronkaard (Math. 11:19). Jezus was zelfs zo vertrouwd met wijn dat hij het op de bruiloft te Kana gebruikte om te laten zien wie hij werkelijk was. Door het drinken van deze wijn ontvingen de bruiloftsgasten een heldere kijk op zichzelf en de wereld.

Omdat het nog steeds gebeurt dat kwezels (pejoratief: overdreven vroom persoon) een negatieve houding aannemen als het om wijn gaat (wacht u voor de zuurdesem van de Farizeeën en Sadduceeën zeg ik dan maar), lijkt het me relevant er een thema artikel aan te wijden! Aan de andere kant hebben de monniken door de eeuwen heen steeds weer de wijnbouw ter hand genomen, zodat de stelling te verdedigen is: zonder Christendom geen hedendaagse wijncultuur!

Calvijn over wijn

Wie was Calvijn?

Johannes Calvijn, geboren als Jehan Cauvin (Noyon, 10 juli 1509 – Genève, 27 mei 1564), was een belangrijke Frans-Zwitserse christelijke theoloog tijdens de reformatie, naar wie een protestants-christelijke stroming, het calvinisme, is genoemd. Als reformator wordt Calvijn vaak in één adem genoemd met Maarten Luther, die in 1517 zijn 95 stellingen poneerde. Calvijn was toen acht jaar oud.

Het beeld dat buiten calvinistische kringen van Calvijn bestaat is buitengewoon negatief. Hij was de bedenker van de troosteloze predestinatieleer en een intolerante fanaticus, die zijn volgelingen alle geneugten van het leven ontzegde. Maar wat nu bekend staat als ‘calvinisme’, valt niet zonder meer terug te voeren op Calvijn. In 2007 werd in Londen een kort ervoor ontdekte brief van Johannes Calvijn geveild. Daarin schreef de beroemde reformator uit Genève over het fenomeen zelfmoord, en volgens de veilingmeester betoonde hij zich ‘ongewoon barmhartig’. Zijn verbazing hierover moet haast wel gebaseerd zijn op een wijdverbreid beeld van de protestantse theoloog waarin een dergelijke invoelende brief blijkbaar slecht past.

Calvijn was zelf ook niet vies van een wijntje. “De kleine raad in Genève schonk hem eens een vat oude wijn als beloning voor zijn inzet voor de stad. Volgens Calvijn had God de wereld met geen ander doel geschapen dan dat de mens er gelukkig zou worden en dat hield onder andere in: genieten van lekker eten en heerlijke wijn. Mensen hebben weliswaar genoeg aan water, zei hij, maar God heeft toch wijn gegeven om ons vrolijk te maken.”

Calvijn, die toegaf dat hij tegen de dorst altijd de neiging had meer wijn te drinken dan eigenlijk was toegestaan, kende de gevaren van alcohol. Hij waarschuwde dan ook tegen overdaad. “Maar als wijn vergif is voor een dronkaard”, zo schreef hij, “wil dat toch niet zeggen dat iedereen er een afkeer van moeten hebben? Alsjeblieft niet, zeg. Wij laten ons daar de smaak niet door bederven, integendeel ons smaakt de wijn heerlijk!”

Institutie Calvijn Boek III Hoofdstuk 19 (Sizoo – 2006) – Over de Christelijke vrijheid

Mensen mogen van goede wijn genieten, noteerde Calvijn in zijn Institutie. Let op het taalgebruik, dat kennen wij niet meer zo.

Het derde stuk, dat wij in de uiterlijke dingen, die op zichzelf middelmatig zijn, door geen enkel bezwaar tegenover God gebonden zijn, maar dat wij ze zonder onderscheid nu eens mogen gebruiken en dan weer nalaten. En ook van deze vrijheid is de kennis voor ons zeer noodzakelijk. Want wanneer zij er niet is, zullen onze consciëntiën (geweten) geen rust hebben en zal er geen einde zijn aan de bijgelovigheden.  Aan zeer velen schijnen wij tegenwoordig dwaas toe, daar we strijd verwekken over het vrij eten van vlees, het vrije gebruik der feestdagen en klederen en dergelijke, zoals het hun toeschijnt, onbetekenende beuzelarijen; maar daarin is meer belang gelegen, dan men gemeenlijk gelooft. Want wanneer de consciëntiën zich eenmaal hebben laten verstrikken, treden ze een lange en ingewikkelde doolhof binnen, waar ze later niet gemakkelijk meer kunnen uitraken. Indien iemand begint te twijfelen, of hij voor lakens, hemden, zakdoeken en handdoeken linnen mag gebruiken, zal hij daarna er niet zeker van zijn, dat hij hennep mag gebruiken en eindelijk zal hij ook beginnen te twijfelen aangaande grof vlas. Want hij zal bij zichzelf overwegen, of hij niet zonder tafellakens kan eten en of hij de zakdoeken niet kan missen. Indien aan iemand enige spijs, die wat fijner is, ongeoorloofd toeschijnt, zal hij eindelijk geen gewoon brood en grove spijzen met een gerust geweten voor God eten, wanneer het hem in de gedachte komt, dat hij met nog eenvoudiger spijzen zijn lichaam kan onderhouden. Als hij weifelt, of hij een goed merk wijn mag drinken, zal hij daarna ook geen slechte wijn met goede vrede zijner consciëntie drinken; ten slotte zal hij ook geen water, dat lekkerder en zuiverder is dan ander water, durven aanraken. Eindelijk zal hij zover komen, dat hij het niet voor geoorloofd houdt om, zoals men zegt, over een dwarsliggend strootje te stappen. Want het is geen geringe strijd, die hier begonnen wordt; maar hierover loopt de kwestie, of God, wiens wil al onze raadslagen en daden leiden moet, wil, dat wij dit of dat gebruiken. Het kan niet anders, of ten gevolge hiervan verzinken sommigen door wanhoop in een bodemloze diepte van verwarring, anderen verachten God, verwerpen zijn vrees en maken zich door hun val een weg, daar ze geen gebaande weg zien. Want zij, die in een dergelijke twijfeling verwikkeld zijn, zien overal, waarheen ze zich ook wenden, iets, waaraan hun consciëntie zich ergert.

Aldus Johannes Calvijn, ten onrechte wordt een zuinige zure en benepen levenshouding aan hem toegeschreven!

Wijnwereld schatplichtig aan Christendom – Wijn in de oudheid

Wijn in de vroege oudheid

Wie druiven plet en het vrijkomende sap opvangt, weet dat dit sap uit zichzelf gaat gisten. De van nature op de druif en in de lucht aanwezige wilde gisten, zullen de suiker omzetten in alcohol. Naast een prettige druivensmaak heeft het drinken van wijn dan ook als bijwerking dat het je in een roes kan brengen. Men kan er om deze reden dan ook vanuit gaan dat er al heel vroeg in de menselijke geschiedenis wijn werd genuttigd.

Het ontstaan van wijnbouw in de vroege oudheid wordt gelokaliseerd tussen de Kaspische en de Zwarte zee. Een gebied in de vruchtbare halve maan welke zich uitstrekt van Ur in het huidige Irak, via Mesopotamië, Syrië en Israël naar Egypte. De oudste aanwijzingen van het telen van druivenstokken leiden naar vondsten van meer dan 7.000 jaar geleden. Sporen van pitten, steeltjes en vlekken op resten van potten dateren uit +/- 4.500) vòòr Christus. In het Zagrosgebergte (West-Iran) zijn dergelijk oude kruiken met rood- geelachtige resten en wijnsteenzuur aan de binnenkant van kruiken aangetroffen.

Mogelijk was er in de oudheid dan ook sprake van het gebruik van gecultiveerde druivenrassen, naast die van de zogenaamde wilde druiven. Volgens Mc Govern in Ancient Wine zijn er vondsten van de gecultiveerde druif in het Noordelijk Jordaan-dal en ten oosten van de Dode Zee, die terug gaan tot 3.500 jaar vòòr Christus. De Vitis Vinifera sylvestris, de wijndragende druiven van het woud oftewel wilde druif, groeide in die tijd ten zuidwesten van het meer van Galilea. Na de ijstijden werd het klimaat er droger. De wilde druif komt in het huidige Israël daarom dan ook niet meer voor. Ze kan alleen nog in een vochtiger omgeving groeien. Maar saillant detail, het is niet voor niets dat een Armeense wijnmaker, Trinity Canyon Vineyards,  zijn wijn “6.100” noemt. Zo lang wordt er al volgens hem wijn gemaakt in Armenië! Ik ontmoette de man enkele jaren geleden op een beurs voor wijnprofessionals in Amsterdam. De wijn was ronduit indrukwekkend!

Armenië ligt in de Zuidelijke Kaukasus en is een land dat in zijn geheel aan geen enkele zee ligt. De lengte van de landsgrenzen bedraagt 1254 km: 787 km met Azerbeidzjan (waarvan 221 km met de exclave Nachitsjevan), 164 km met Georgië, 35 km met Iran en 268 km met Turkije.Het gebied is voornamelijk bergachtig en tamelijk bosrijk met enkele snelstromende rivieren. De Aragats is met 4095 meter de hoogste berg van het land. De grootste rivieren zijn de Araks, de Debed en de Hrazdan. Het grootste meer van Armenië is het Sevanmeer (Sevana Litj). De wieg van wijnranken en wijn bevindt zich in Armenië. Emblematisch, de Armeense wijngaard stamt uit een lange geschiedenis. De Bijbel (Genesis, IV tot IX), naar het epos van Noach, noemde deze wieg van wijnstok en wijn al. Archeologische sporen van vinificatie daterend uit 6.100 jaar werden in 2007 ontdekt in grotten nabij het dorp Areni. Wát een geschiedenis!

Wijn en spijs in de Oudheid

Wie bekend is met de Bijbelse verhalen beseft dat er diverse keren sprake is van feestmaaltijden. Hoe zagen deze maaltijden er precies uit in de oudheid?

Assurnasirpal op leeuwenjacht – een oude variant op stierengevechten zou je kunnen zeggen…

Luxe maaltijden

Feestmaaltijden, zoals we die in de Bijbel tegenkomen, komen in de hele oudheid voor. We vinden voorstellingen hiervan al terug in de oude culturen, zoals het oude Egypte. Een van de grootste feestbanketten in de oudheid vond plaats in het Assyrische rijk, onder het bewind van Assurnasirpal II (883–859vC). Dit banket duurde tien dagen en werd bijgewoond door 69.574 gasten. Een dergelijk banket getuigde destijds van grote weelde en bevatte exotische vruchten, uitvoerige vlees- en visgerechten, gevarieerde wijn en andere sterke drank. Het was een luxe maaltijd waarbij ook verschillende zangers, muzikanten en danseressen aanwezig waren en diverse gasten zich versierden met bloemen en parfums. In latere tijden schreef de Griekse dichter Homerus (±800–750vC):

Geen sociale gebeurtenis, zover mij bekend, geeft meer plezier samen dan wanneer goede moed bij alle mensen leeft en de feestgangers in de zalen naar de bard luisteren. Allemaal zitten ze ordelijk gerangschikt met rondom hen tafels vol brood en vlees. Terwijl hij de sterke wijn uit de mengkom trekt, draagt de wijnschenker hem rond en giet hij de wijn in de bekers (Odyssee 9.5-10).

Het Assyrische Rijk of kortweg Assyrië was een rijk dat bestond tussen 2000 v.Chr. en 609 v.Chr. De Assyriërs veroverden het Rijk vanuit hun kerngebied rond de stad Aššur (of Assoer) in Mesopotamië, hoewel Aššur niet altijd de hoofdstad geweest is. Onder Shamshi-adad I was het Šubad-Enlil en vanaf Sennacherib werd Ninive de hoofdstad. Op het hoogtepunt van hun macht besloeg het Assyrische Rijk Mesopotamië, de Levant en het Oude Egypte.

Enkele feestbanketten in de Bijbel

Een bekend voorbeeld van een banket in de Bijbel is het huwelijksbanket (Ri.14:10; Joh.2:1-10). Om zulk een feest met veel vrienden te kunnen beleven, werd er graag gekozen om het zeven dagen te laten duren (Gen.29:22,27). In die week vond elke vriend een geschikt moment om het werk even achter zich te laten en samen met de anderen het huwelijk te vieren. Andere banket- maaltijden vonden plaats uit dankbaarheid voor de oogst. Zo kozen de inwoners van Sichem ervoor om in hun wijngaarden de druiven te plukken, deze uit te persen en vervolgens een oogstfeest te houden in de tempel van de godheid (Ri.9:27). Een ander voorbeeld hiervan is koning Salomo die tijdens het Loofhuttenfeest – dat ook een oogstfeest was – samen met vele Israëlieten zeven dagen lang uitbundig feest vierde (2Kr.7:8).

De profeet Amos richt zich tegen de luxe buitensporige maaltijden die er onder het volk worden gehouden door de rijkere klasse, die zich van Gods inzettingen niets aantrekt, aan te spreken:

Jullie liggen maar op je ivoren bedden, hangen op je divans, eten lammeren uit de kudde en kalveren uit de stal. Luidkeels zingen jullie bij de harp, en jullie denken te spelen als David zelf. Uit grote schalen drinken jullie wijn, en met de beste olie wrijven jullie je in, maar jullie lijden er niet onder dat Jozefs volk ten onder gaat. Daarom gaan jullie nu als eersten in ballingschap; het gefeest en geluier is voorbij (NBV: Am.6:4-6).

Zulke weelderige maaltijden vinden we ook bij de Babylonische vorsten. Koning Belsazar viert in Babel een feest samen met vele machthebbers, terwijl de legers van de Perzen voor de muren van de stad staan (Dan.5:1-30). Ook in het Perzische rijk komen dit soort luxe maaltijden voor. Zo vinden we maar liefst vijf verschillende feestbanketten in het Bijbelboek Ester. Elke relatie met God of zijn Bijbelse feest inzettingen, zoals bijvoorbeeld het Pascha in de eerste maand, wordt daarbij in dat Bijbelboek wel opmerkelijk achterwege gelaten.

Tegenwoordig herinneren reliëfs in Persepolis nog steeds aan dit soort feestmaaltijden. Een van de oudste afbeeldingen van feestbanketten is afkomstig uit de vierde eeuw voor Christus en gevonden in de plaats Choga Mish in het zuidwesten van het huidige Iran. De afbeelding toont een persoon die een vat vasthoudt en deze aanbiedt aan een persoon die tijdens het feest aanligt en omgeven is door verschillende muzikanten die een harp en een soort tamboerijn bespelen. Er zijn ook veel andere afbeeldingen te noemen, bijvoorbeeld een van Assurbanipal (669–627vC) die twee eeuwen ouder is. Deze afbeeldingen kunnen dienen als illustratie bij de feestmaaltijden in Oudheid, die ook vermoedelijk door Amos wordt beschreven.

Jezus aan de maaltijd

In de latere evangeliën vernemen we vervolgens dat Jezus diverse keren tijdens een maaltijd te gast is. Gastvrijheid en het aanbieden van een maaltijd stond in het Israël van de eerste eeuw hoog in het vaandel. Wie zulk een feestbanket afwees, gold als onbeschoft. Die achtergrond verklaart de heftige gevolgen die verbonden zijn met de afwijzing van Gods toekomstige feestmaaltijd (Mat.22:1-14). Als alle genodigden waren gearriveerd, werden de deuren gesloten, om binnendringers tegen te houden. Tijdens het feestbanket lagen de gasten veelal in een U-vorm aan en werd er op sommige momenten een onderscheid gemaakt tussen de rangen en standen van de gasten (Luk.14:10). Hoewel hedendaagse lezers gewend zullen zijn om te zitten aan een maaltijd, was het in de Oudheid gebruikelijk voor vrije mannen om bij bijzondere maaltijden aan te liggen. Doordat ook de discipelen tijdens het laatste avondmaal aanlagen, is bijvoorbeeld het schilderij van Leonardo Da Vinci Het Laatste Avondmaal, waar de discipelen op stoelen zitten onjuist (vgl. Mar.14:15; Joh.13:12,25). Al vanaf de zevende eeuw voor Christus was het namelijk gebruikelijk dat de gasten tijdens de maaltijden op ligbanken lagen. Op een ligbank konden maximaal een drietal personen aanliggen en in een gemiddelde eetruimte, het Griekse triklinos of Latijnse triclinium, bevonden zich drie ligbanken. De rijke klasse kon soms meerdere van zulke eetruimtes in huis hebben. Publiekelijke ruimtes boden echter plaats aan een vijftiental ligbanken die in een U-vorm in de zaal werden geplaatst, zodat de bedienden het eten op de tafels in het midden van de U-vorm plaatsten en vanuit die locatie ook de gasten van nieuwe wijn konden voorzien.

Tafelmanieren

Als het om tafelmanieren gaat, vinden we in de joodse traditie de meest bekende opgeschreven door Jesus Sirach. Zijn woorden roepen de gelovigen op tot nederigheid en genoegzaamheid:

Als je aan een welvoorziene tafel zit, sper dan niet je mond open en zeg niet: “Wat een rijke dis!” … Als iemand naar een schotel kijkt, tast dan niet toe, graai niet samen met hem in de schotel. Beoordeel de gevoelens van je tafelgenoot als die van jezelf en denk na bij alles wat je doet. Eet wat je is voorgezet als een fatsoenlijk mens, wees geen veelvraat, wek geen weerzin op. Wees zo welgemanierd als eerste op te houden, wees geen gulzigaard, geef geen aanstoot. En als je met velen aan tafel zit, tast dan niet als eerste toe. … Wie onverzadigbaar is krijgt last van slapeloosheid, van misselijkheid en maagkrampen. … Wie goede tafelmanieren heeft wordt geprezen, hij zal altijd een goede naam hebben. Over wie slechte tafelmanieren heeft, spreekt heel de stad schande, hij zal altijd een slechte naam hebben. Wees geen held in het drinken van wijn, want wijn heeft velen te gronde gericht. Zoals de oven gehard staal beproeft, zo beproeft wijn het karakter van hoogmoedigen die ruziemaken. … Te veel wijn leidt tot bitterheid, ruzie en conflicten. Dronkenschap maakt een dwaas zo woedend dat hij ten val komt, ze ondermijnt zijn kracht en brengt hem wonden toe. Maak geen ruzie met je naaste als je samen wijn drinkt en minacht hem niet als hij vrolijk wordt. Beledig hem dan niet en verneder hem niet door iets van hem terug te vragen. Als jou de leiding van een feestmaal wordt gegeven, laat je daar dan niet op voorstaan. Wees als een gast onder je gasten, bekommer je eerst om hen, ga pas daarna zelf zitten. Neem pas plaats wanneer je al je taken hebt vervuld, dan verheug je je over hun tevreden- heid en krijg je een krans voor je hoffelijkheid (31:12-32:2).

Dit soort instructies komen we ook elders tegen. Zo staat de Babylonische Talmoed het toe om tien bekers wijn te drinken in het huis van verdriet (b. Ketubot 8b; b. Sotah 14a.). Op het Purimfeest, waar het joodse volk terugdenkt aan de gebeurtenissen die zich afspeelden in Perzië, is het de gelovigen toegestaan om zolang wijn te drinken totdat ze niet meer het verschil weten te noemen tussen de vervloekte vijand Haman en de gezegende Mordechai (b. Megillah 7b).

Feestbanket en Koninkrijk van God

Feestbanketten blijven niet uit het zicht van de Bijbelse schrijvers. Ze vormen een prachtig getuigenis van Gods koninkrijk. Want: ‘velen uit het oosten en uit het westen zullen komen en met Abraham, Isaak en Jakob zullen aanliggen in het koninkrijk van de hemel’ (Mat.8:11). In de evangeliën is Jezus dan ook vaak aanwezig tijdens feestmaaltijden en in zijn parabels van het koninkrijk van God spelen maaltijden een grote rol. Het gaat dan niet om een eenvoudig hapje tussendoor, maar om een luxe bruiloftsmaaltijd waar de genodigden met vreugde naar uitzien. Wie een bruiloftsfeest mag meemaken, beseft dat dit een hoogtepunt is in het leven van bruid en bruidegom. Jezus stelt dit beeld van het bruiloftsfeest op een zeker moment centraal in zijn verkondiging (vgl. Mat.22:1-14; 25:113; Luk.14:15-24). Hij is de bruidegom en zijn leerlingen zijn de vrienden van de bruidegom (Mat.9:15). Daarom luidt het ‘Gelukkig al wie zal deelnemen aan de maaltijd in het koninkrijk van God!’ (Luke.14:15). Uiteindelijk laten de meeste van deze feestbanketten de gelovigen uitzien naar het toekomstige feestbanket dat God zijn volk aanbiedt. Dan zal waar worden wat de profeet Jesaja zijn volk al beloofde: ‘Op deze berg richt Jahweh van de hemelse machten voor alle volken een feestmaal aan: uitgelezen gerechten en belegen wijnen, een feestmaal rijk aan merg en vet, met pure, rijpe wijnen’ (25:6).

Wijnwereld schatplichtig aan Christendom – het vroege Christendom

Het is een onweerlegbaar feit dat vele christenen vandaag bijzonder onwetend zijn over het Oude Testament. Velen zijn verbaasd wanneer gezegd wordt dat het Oude Testament haast geheel positief is over wijn en “sterke drank” (alhoewel er duidelijk waarschuwingen zijn en enkele betreurenswaardige voorbeelden van dronkenschap, hetgeen vermeden moet worden). Een typische benadering staat in Deuteronomium 7:13, waar de “zegeningen” die de Heer Israël wil verlenen (indien zij gehoorzaam zijn) naast kinderen, wonderlijke oogsten en kudden, ook “nieuwe wijn en olie” omvatten. In feite werden de Israëlieten aangemoedigd wijn te produceren als een uitdrukking van Gods zegeningen. Wanneer in de herfst het Loofhuttenfeest werd gehouden, werden de Israëlieten speciaal bevolen zich vreugdevol te gedragen:
“Het feest der loofhutten zult gij u zeven dagen houden, als gij zult hebben ingezameld van uw dorsvloer en van uw wijnpers. En gij zult vrolijk zijn op uw feest” (Deut. 16:13-14). Na de instructies om zorgvuldig hun tienden te verzamelen, werd de Israëlieten gezegd:
“En geeft dat geld voor alles, wat uw ziel gelust, voor runderen en voor schapen, en voor wijn, en voor sterke drank, en voor alles, wat uw ziel van u begeren zal, en eet aldaar voor het aangezicht des HEEREN, uw God, en weest vrolijk, gij en uw huis” (Deut. 14:26).

“Sterke drank” (Hebreeuws “shekar”: “intensieve alcoholische drank”) was een geestrijke drank, zoiets als rum of whisky, en zo goed als zeker van dadels gemaakt; het was bijzonder sterk! De Israëlieten werden aangemoedigd om wijn of “sterke drank” te drinken wanneer zij feestten voor de Heer (Dit is wel helemaal in strijd met de opmerking van een andere christen die zei dat het enkel aanvaardbaar is alcohol te dringen om “medische redenen” maar nooit voor het plezier!)
Uiteraard kwam er ook wijn te pas tijdens het drinken van de “drankoffers” in de tabernakel! “… en tot drankoffer een vierde deel van een hin wijn …” (Exodus 29:40) “… en zijn drankoffer van wijn, het vierde deel van een hin …” (Leviticus 23:13) Richteren 9:13 zegt van de wijnstok en haar wijn: “…die God en mensen vrolijk maakt …”

Zegeningen

Wijn staat verder symbool voor grote zegeningen in Jesaja: “En de HEERE der heirscharen zal op deze berg alle volken een vette maaltijd maken, een maaltijd van reine wijn, van vet vol merg, van reine wijnen, die gezuiverd zijn” (Jesaja 25:6). Maar was dat échte wijn? Sommigen hebben beweerd dat de wijn van het Oude en Nieuwe Testament gewoon druivensap was. Maar hun argument houdt helemaal niet stand! Goede Hebreeuwse wijn en “sterke drank” (een sterke drank, waarschijnlijk gemaakt van dadels) waren goed gekend. Druivensap zou niet kunnen bewaard worden tenzij het tot wijn werd gemaakt. Waarom zouden boeken zoals Spreuken dikwijls waarschuwen tegen dronkenschap als de drank gewoon druivensap was? De laatst genoemde schriftplaats, Jesaja 25:6, geeft ook aan dat het niet om druivensap gaat, want er is sprake van “reine” wijn, namelijk wijn die gezuiverd werd van sediment (droesem, bezinksel) dat geproduceerd wordt door fermentatie (gisting)! Sommigen beweren dat het Hebreeuwse woord dat gebruikt wordt voor “nieuwe wijn” naar druivensap verwijst, maar zij hebben het totaal mis, want:

  1. Dat bepaalde woord wordt dikwijls gebruikt voor gefermenteerde wijn, zoals in Genesis 27:28, Hosea 4:11 en Micha 6:15;
  2. De parallelle term in Ugarit werd beslist voor echte wijn gebruikt;
  3. De Septuaginta (het Oude Testament in het Grieks) gebruikt altijd equivalente woorden die verwijzen naar gefermenteerde wijn;
  4. De Misjna verschaft geen bewijs voor de gedachte dat de Hebreeën ooit ongefermenteerd druivensap gebruikten.

Alhoewel het nog steeds occasioneel waarschuwt tegen dronkenschap, blijft het Nieuwe Testament de oudtestamentische benadering aanhouden als zijnde geheel positief tegenover het gebruik van wijn. Alhoewel veel “religieuze” types van christenen voortdurend in verlegenheid gebracht worden door het veranderen van water in wijn door Jezus op het huwelijksfeest in Kana, kan er geen twijfel over bestaan dat deze wijn normale alcoholische wijn was (Grieks: oinos; Grieks woord nummer 3631 in Strong’s). Jezus vond het duidelijk niet verkeerd om te genieten van wijn op dat huwelijksfeest, maar ooit hoorde ik van een erg oprechte (maar wat dwaze) oude vrouw zeggen dat ze Jezus een uitbrander zou geven, wegens het veranderen van water in wijn, wanneer zij naar de hemel ging! Jezus was ook helemaal niet verlegen wanneer Hij de metafoor gebruikte van “nieuwe wijn in nieuwe leren zakken” in Lukas 5:37-39. Dit was trouwens een verwijzing naar echte, alcoholische jonge wijn, die oude leren zakken kan doen barsten! In feite komt het woord “wijn” 42 keer voor in het Nieuwe Testament (SV) en wordt slechts op 56 plaatsen in negatieve zin gebruikt! Ik hoorde eens iemand zeggen: “Wij kunnen er zeker van zijn dat Jezus nooit een druppel alcohol aanraakte!” – is dat echt zo? Maar wijn, soms met wat water toegevoegd, maakte helemaal deel uit van het normale leven in de wereld die Jezus bewoonde, net zoals thee en koffie in onze westerse landen vandaag. Maar voor wie nog steeds denkt dat Jezus’ lippen zeker niet “besmet” waren door wijn, moet Lukas 7:33-34 eens lezen:
“Want Johannes de Doper is gekomen, noch brood etende, noch wijn drinkende; en gij zegt: Hij heeft de duivel. 34 De Zoon des mensen is gekomen, etende en drinkende, en gij zegt: Ziet daar, een Mens, Die een vraat en wijnzuiper is, een Vriend van tollenaars en zondaars” (Lukas 7:33-34). Ik denk dat dit alle twijfel doet wegnemen: Jezus genoot occasioneel van een beker wijn! Maar er is meer dan dit: het Nieuwe Testament leert ook duidelijk dat er echte wijn moet gebruikt worden bij het Avondmaal van de Heer (1 Korinthiërs 11:23-26), alhoewel duizenden moderne christenen lijken te denken dat zij het beter weten en haast alles willen gebruiken behalve echte wijn.

Wijn en spijs

Jezus deelde zelf ook graag de maaltijd met anderen. Hij stond erom bekend dat hij zich graag liet uitnodigen voor een maaltijd of feest, en dat hij zich het eten en drinken goed liet smaken. Een veelvraat of dronkaard werd hij door de mensen die zich daaraan ergerden, genoemd.

In een van die verhalen wordt Jezus uitgenodigd door een farizeeër (Lucas 11: 37-53). Hij gaat daar zomaar aan tafel liggen zonder eerst de gebruikelijke cultische reiniging met water uit te voeren. Letterlijk staat er dat Jezus zich niet had laten dopen, dus zich niet had laten dompelen, schoon wassen. Met andere woorden: Jezus voldoet dus niet aan wat van een ware gelovige wordt vereist: gedoopt zijn. Iemand waarvan in een groot deel van de kerk gezegd zou worden dat hij niet weet wat het christelijk geloof inhoudt. Iemand die ongedoopt, ‘ongeheiligd’, zomaar aan het ritueel deelneemt. Kan dat dan zomaar? ‘Ja’, zegt Jezus. Want al die rituele eisen gaan alleen maar over de buitenkant van het geloof. Met andere woorden: waar ligt ten diepste het verschil tussen een ‘gelovige’ en een ‘ongelovige’?

Jezus neemt dus zonder zich ritueel te reinigen deel aan de maaltijd. Daarmee daagt hij de farizeeër uit, die zich daarover verwondert uit. Als het ware vraagt Jezus hem: ‘Wat is jouw verhaal dan: geloof je echt dat je het reine en onreine in jezelf kunt scheiden? Dat je daardoor dat complexe leven, waar goed en kwaad door elkaar lopen, kunt reinigen? Dat je dat deel van jouzelf dat je liever niet wilt zien, daarmee ook kunt weghalen?’ Niet dat Jezus de geestelijke veroordeelt omdat hij net zoals ieder mens een wezen is waar goed en kwaad met elkaar verstrengeld zijn. Nee, waar Jezus hem op aanvalt, is dat de geestelijke de schone schijn ophoudt dat hij wel perfect, rein is. Jezus wijst hem erop dat je pas mens wordt wanneer je ontdekt dat je een mens bent met kwaliteiten en gebreken, fouten en glorie, angst en moed. Het is pas werkelijk moedig en getuigt van grote kracht wanneer je dat voor jezelf durft toe te geven. Vanuit dat besef dat jij niet perfect bent en wanneer je daarmee verzoend bent, sta je beter in het leven en kunnen je werkelijke kwaliteiten beter opbloeien. Bovendien wordt een mens dan ook milder naar z’n medemens. Wie vindt dat hijzelf perfect is en gelooft dat je dat kunt zijn, stelt dat ook als redelijke eis aan de ander.

De geschiedenis van alcohol in de Kerk

De vroege christenen gebruikten altijd wijn volgens het Bijbelse voorbeeld. Dit bleef zo honderden jaren lang, tot de Puriteinen in Engeland verschenen. Zij zagen het misbruik van wijn en alcohol en begonnen zich af te vragen of christenen wel alcoholische dranken zouden kunnen gebruiken. Niettemin bleven ongetwijfeld vele christenen verder alcohol drinken, alhoewel met strikte matigheid.

Wijn in het koninkrijk van God

In de week voorafgaand aan Pasen, de Stille of Goede Week, worden in de christelijke liturgie kernmomenten uit de laatste week van Jezus herdacht en herbeleefd. Een van deze kernmomenten is het Laatste Avondmaal, de laatste maaltijd die Jezus samen met zijn leerlingen deelt. Overlevering over deze maaltijd is al heel vroeg te vinden in de eerste brief van Paulus aan de Korinthiërs. Paulus schrijft hier over een traditie die hij heeft ontvangen over de maaltijd van Jezus in de nacht waarin hij verraden werd (1 Korinthe 11:17-34). Beschrijvingen van deze maaltijd komen verder voor in alle vier de canonieke evangeliën die later op schrift zijn gesteld (Matteüs 26:20-30; Markus 14:17-26; Lukas 22:14-20; Johannes 13). Deze overleveringen zijn nauw verbonden met de ontwikkeling van de christelijke eucharistische maaltijdvieringen. Vooral de woorden die door Jezus bij deze maaltijd worden uitgesproken na de zegeningen en bij het ronddelen van brood en wijn zijn hier van groot belang.

De teksten zullen voor velen bekend zijn uit de christelijke liturgie of verbeelding in schilderkunst en film. Wanneer de beschrijvingen in de evangeliën nauwkeurig gelezen en met elkaar vergeleken worden, vallen echter een aantal verschillen op. Deze verschillen betreffen belangrijke vragen als de datering van het laatste avondmaal en de achtergrond van de maaltijd in het Jodendom van die tijd. Vergelijking tussen het evangelie van Johannes en de drie zogenaamde synoptische evangeliën heeft onder uitleggers de vraag opgeroepen of het hier werkelijk om een Pesachmaaltijd (Seder) ging. Minder aanzienlijk zijn de verschillen tussen de zogenaamde instellingswoorden bij brood en wijn. Opvallend is dat Markus en Mattheüs behalve de uitspraken die brood en wijn lichamelijk met Jezus verbinden nog een tweede uitspraak over alleen de wijn bevatten. Jezus stelt hier dat hij niet meer van de ‘vrucht van de wijnstok’ zal drinken tot in het koninkrijk van God. In Lukas wordt deze uitspraak met een eerdere beker wijn verbonden en is een vergelijkbare uitspraak ook met het brood verbonden. De twee uitspraken over de wijn hebben bij geleerden de vraag opgeroepen of deze uitspraak over het koninkrijk wel oorspronkelijk aan Jezus toegeschreven kan worden. Hoewel sommigen hier ontkennend op antwoorden, is het opvallend dat verschillende belangrijke theologische elementen ontbreken. De tekst gaat bijvoorbeeld niet over de wederkomst van Jezus zelf en kent hem geen prominente plaats toe bij de maaltijd in het koninkrijk (zie echter Lukas 22:28-30 en Lukas 14:24). Het is daarom niet onredelijk om te vermoeden dat de woorden op Jezus zelf terug gaan. Het is interessant om nauwkeuriger naar deze uitspraak te kijken

Allereerst geven deze woorden uitdrukking aan een concrete toekomstverwachting van een (mogelijk spoedig) aanbreken van het koninkrijk van God. In de vroege kerk kwam deze concrete verwachting van een toekomstige maaltijd op de achtergrond door een nadruk op de eucharistie zelf als maaltijd van Gods koninkrijk. De woorden geven echter uitdrukking aan een gangbare Joodse voorstelling van Gods utopische toekomst als een maaltijd. Deze voorstelling komen in verschillende Joodse bronnen en in de evangeliën naar voren, onder andere in gelijkenissen. Hoewel het moeilijk is de details van deze verwachting allemaal te plaatsen, is wijn hier een belangrijk onderdeel van. Wijnbouw en het drinken van wijn zijn in de Hebreeuwse Bijbel reeds tekens van vrede en vreugde. Verschillende teksten gaan in het bijzonder over wijn in Gods toekomst (zie Jesaja 25:6; Joël 3:18; Micha 4:4; Zacharia 9:11,16-17). Een dergelijke verwachting is concreet te vinden in een van de zogenaamde regelteksten uit de Dode Zeerollen. Hierin wordt een maaltijd beschreven in de ‘laatste dagen’ waarbij de gemeenschap in aanwezigheid van de messias, de ‘gezalfde van Israël’, brood eet en nieuwe of jonge wijn drinkt (1QSa 2:11-22). Het is in deze tekst niet precies duidelijk of de ‘laatste dagen’ een toekomstige periode betreffen, of dat men dacht reeds in die periode te leven.

De vermelding van nieuwe wijn in deze gemeenschapsregel (1QSa) is wel als achtergrond gezien van de woorden in de evangeliën. Een aantal Nederlandse Bijbelvertalingen doet dan ook vermoeden dat het in Markus 14:25 gaat om nieuwe wijn (zie bijvoorbeeld de Groot Nieuws Bijbel). Het Grieks kan echter beter op een andere manier vertaald worden, namelijk dat Jezus pas in het koninkrijk opnieuw van de ‘vrucht van de wijnstok’ zal drinken (zie Nieuwe Bijbelvertaling). De woorden riepen in de vroege kerk al de vraag op of Jezus dan wel zelf van het laatste avondmaal heeft gegeten. Daar gaat het echter niet om bij deze woorden. Door de nadruk te leggen op het opnieuw eten laat Jezus niet alleen zien dat hij verwacht spoedig te zullen sterven. De nadruk valt echter ook op de verwachting dat zijn leven na zijn dood door God hersteld zal worden in een toekomstige realiteit. Het is lastig te zeggen hoe deze verwachting is verbonden met die van een opstanding uit de dood (vergelijk bijvoorbeeld Matteüs 8:11-12; Lukas 13:28-29; 23:42-43). In de week voor Pasen is het echter goed te begrijpen waarom deze traditie in de evangeliën bewaard is gebleven.

Jezus brengt zijn Persoon meer dan eens in verband met de wijnstok en de wijn. Hij wil voor ons een, beter, dé bron van extase, zoetheid en goede smaak zijn. Jezus wil ons vooral de smaak van liefde en goedheid en blijdschap geven en niet de flauwe smaak van juistheid, regels en correctheid. Wat gebeurt er met je als je geniet van wijn? Kun je een wijn herinneren die jou bijzonder heeft betoverd, die de liefde door je hele lijf deed stromen? De vroege Christenen hebben zulke ervaringen geassocieerd met Jezus.

Wijnwereld schatplichtig aan Christendom – de Middeleeuwen

Na de ineenstorting van het Romeinse Rijk in de vijfde eeuw begonnen de donkere middeleeuwen. Hoewel er over die periode weinig bekend is, weten we dat het een periode van verval was: leiding en orde ontbraken, hele volksstammen zwierven kriskras door Europa, op zoek naar een beter leven. De Germanen, door de Romeinen barbaren genoemd, hielden stevig huis. Er was honger, ziekte, armoede, kortom: chaos. Veel wijngaarden werden vernietigd door de Germanen en in Zuid-Europa ook door de Moren. De wijnbouw was bijna ter ziele gegaan, ware het niet dat christelijke monniken sommige wijngaarden van de ondergang konden redden. Zij hadden wijn nodig voor het Avondmaal (protestanten) of de de Mis (katholieken), waarin brood (‘het lichaam van Christus’) wordt gegeten en wijn (‘het bloed’, dat trouwens ook wit mag zijn) wordt gedronken om Jezus te gedenken.

In de Bourgogne waren er in de tijd van de Romeinen zeker al wijngaarden en waarschijnlijk daarvoor al, hoewel bewijzen maar teruggaan tot 312 na Christus. In alle gevallen ver voordat de voor Bourgogne belangrijkste twee ordes, die van de benedictijnen vanuit Cluny en vervolgens de cisterciënzers vanuit Cîteaux, hun wijngaarden verwierven. De benedictijnen bestaan al langer dan het klooster van Cluny, maar kort nadat dit in 910 werd opgericht, kreeg het de status van moederklooster. Dit kwam onder andere door een aantal lang zittende doortastende abten. De macht van de benedictijnen was enorm, vooral tegen het einde van de 11e eeuw. Cluny ligt in de Bourgogne, om precies te zijn iets ten noordwesten van Mâcon.

In 1098 trad een groep monniken uit de orde, omdat zij vonden dat de benedictijnen hun macht en rijkdom te veel in een luxe levensstijl omzetten. Ze stichtten in Cîteaux, ten oosten van Nuits-Saint-Georges), een nieuwe orde: de cisterciënzers. Die naam komt voort uit de plek die ze uitkozen: die heette aanvankelijk Cisteaux en werd vertaald als Cistercium in het Latijn.

De groep wilde terug naar, eenvoudig gezegd, het motto van Benedictus van Nursia: ora et labora, ‘bid en werk’, hoewel dat adagium nergens in de Bijbel voorkomt. Veel werd anders dan bij de benedictijnen: terwijl die kozen voor prachtige kloosters in het zicht van iedereen, zoals op heuvels, bouwden de cisterciënzers in afgelegen gebieden bij rivieren hun kloosters in een veel soberder stijl. Tevens kozen zij voor een wit habijt, tegenover het zwart van de benedictijnen. Zij leefden aanvankelijk ook veel soberder maar werden snel rijker en de orde werd zo succesvol, dat deze de rol van de benedictijnen als machtigste orde in de 12e eeuw overnam. Tegen 1500 waren er bijna 1.400 kloosters, waarvan bijna 740 van monniken en de rest van nonnen. Door deze rijkdom werd gaandeweg het zeer strenge regime minder sober, hoewel nooit zo luxueus als de benedictijnen een tijd geëtaleerd hadden.

Wijnwereld schatplichtig aan Christendom

De Benedictijnen

Benedictus van Nursia

De heilige Benedictus (480-547) wordt algemeen beschouwd als vader van het kloosterleven in de Latijnse Kerk. Hij is vooral bekend vanwege de regel van Benedictus. Deze is in het hele kloosterleven een belangrijk uitgangspunt geworden, ook buiten de benedictijner kloosters. Het is een leven van het gemeenschappelijk delen van alle bezittingen. Centraal staat het werken voor de gemeenschap en spirituele verdieping. Benedictus werd geboren in een tijd van onrust en volksverhuizingen. Aanvallen van de Hunnen, de Vandalen of de Germanen hingen steeds in de lucht. Hij werd geboren in Nursia, het huidige Italiaanse Norcia in de buurt van Perugia. Al op veertienjarige leeftijd sloot hij zich aan bij een groep kluizenaars. Toen Benedictus 20 jaar oud was, ontvluchtte hij Rome en stopte met studeren. Hij trok zich terug in de eenzaamheid van een grot, drie jaar lang. Zijn kleding was een haren hemd en een vriend bracht hem voedsel (brood), dat hij in een mandje naar beneden zond.

Overste in Vicovaro

Uiteindelijk belandde deze groep in Subiaco, ten oosten van Rome, waar het klooster Santo Speco ontstond. Hij werd tot overste gekozen in Vicovaro, maar was volgens een legende uit de 12e eeuw zo streng dat de monniken het benauwd kregen en zelfs probeerden hem te vermoorden door hem een gifbeker voor te zetten. Toen hij die echter zegende, brak de beker. Daarom wordt hij in de kunst veelal afgebeeld met een beker in de hand waaruit een slang tevoorschijn komt. Om dit soort conflicten te vermijden trok hij met enkele medestanders naar Monte Cassino. In 529 stichtte hij zijn eigen gemeenschap die bekend werd als de Abdij van Monte Cassino, waar hij zijn later beroemd geworden regels schreef. Maurus (de latere heilige) was een van zijn eerste volgelingen. Andere beroemde volgelingen waren zijn tweelingzus Scholastica en Placidus, de 7e-eeuwse Frankische kloosterstichter. Vooral de biografie van Benedictus in de Dialogen van paus Gregorius de Grote droeg al vroeg bij tot zijn reputatie.

In de 4e eeuw werden steeds meer kloosters gebouwd op afgelegen plaatsen waar men zich kon richten op het ervaren van God. Verder waren er veel verschillende en soms onduidelijke regels. Kloosters in het westen van Europa gingen steeds meer hun aandacht verleggen vanwege de volksverhuizingen en de daarmee gepaard gaande maatschappelijke onrust . Ze kregen steeds meer de taak om de resten van de westerse cultuur te bewaren sinds die in de loop van de 5e eeuw uiteenviel. In afgelegen gebouwen bevond zich steeds meer een voorraad geschreven boeken, ook van heidense schrijvers. Benedictus stimuleerde daarmee Cassiodorus, iemand in een hoge positie onder de Oost-Gotische koning Theodorik de Grote die zich ook ging toeleggen op het kopiëren van manuscripten en het bestuderen van antieke geschriften. Door deze nadruk op de waarde van oude geschriften raakte dankzij de kloosters de Grieks-Romeinse cultuur in de Middeleeuwen niet geheel verloren.

Regula Benedicti

De enorme invloed van Benedictus is vooral toe te schrijven aan zijn kloosterregel, de Regula Benedicti. Er bestonden al wel dergelijke regels, zoals de anonieme Regula Magistri, maar deze werden bijna allemaal als te streng of onevenwichtig ervaren, zoals later ook die van de heilige Columbanus. Volgens Benedictus moesten de monniken drie geloften afleggen: armoede, kuisheid en gehoorzaamheid aan de abt. De monniken moesten zich toeleggen op “ora et labora”, waarmee het bidden en de handenarbeid bedoeld wordt. Het bidden werd gedaan door acht maal per dag deel te nemen aan het koorgebed. Ten slotte moesten de monniken zich bezighouden met de lectio divina, het mediterend lezen van de Bijbel en de kerkvaders. De regel van Benedictus is een afgewogen ritme van acht uur bidden, acht uur werken en acht uur rusten. Hierdoor verspreidde de Orde der Benedictijnen, zoals ze naar Benedictus zouden gaan heten, zich in snel tempo over heel Europa. Dit gebeurde zowel door het invoeren van de regel in reeds bestaande kloosters als het stichten van nieuwe kloosters. Zo is Benedictus ook een van de patroon-heiligen van Europa geworden.

Ora et labora

Benedictus schreef zijn regel, waaruit de aanbeveling Ora et Labora (= Bid en Werk) wereldberoemd is geworden. Vooral ‘werk’ was in die tijd een doorbraak. lmmers werk was voorbehouden aan de laagst geplaatsten in de maatschappij: aan slaven en lijfeigenen. Adel en geestelijkheid werkten niet. Wanneer nu Benedictus niet alleen studie, maar ook werk voorschrijft naast gebed, vraagt hij daarmee van zijn monniken een houding van de minste der mensen; zij waren vaak van adellijke afkomst en voor hen was werken beneden hun rang en waardigheid.

Enkele regels van Benedictus

Enkele fragmenten uit de regels over de zieken:

Voor alles dient voor de zieken gezorgd te worden… Zij mogen zo vaak als nodig is in bad; de gezonden en met name de jongeren moeten zich hierin beperken. De zieken en herstellenden mogen ook vlees eten om sneller op kracht te komen. Als zij weer beter zijn moeten zij zich weer onthouden van het eten van vlees. Een ander fragment over luiheid:

Luiheid is de vijand van de ziel. Daarom moeten de broeders op vaste tijden handarbeid verrichten en op andere tijden heilige geschriften lezen.

Zijn feest werd vroeger op 21 maart gevierd maar tegenwoordig op 11 juli. Hij wordt aangeroepen als patriarch der monniken van het westen spiegel van gehoorzaamheid, armoede en zuiverheid.

Inkijkje in de wereld van de Benedictijnen

Op vele manieren kun je in de wereld van de Benedictijnen kijken. Bezoek één van de vele kloosters in Europa. Of lees erover. Zelfs in de literatuur zijn vele mooie boeken te vinden zoals de roman Il Nome della Rosa (De naam van de roos) van Umberto Eco. Eco werd geboren in het Noord-Italiaanse gewest Piëmont. Hij ontving salesiaans onderwijs en studeerde middeleeuwse filosofie aan de Universiteit van Turijn. Hij was tot 2008 hoogleraar in de semiotiek aan de Universiteit van Bologna. Eco werd katholiek opgevoed, maar werd later atheïst. Als schrijver brak Eco in 1980 internationaal door met zijn roman Il Nome della Rosa (De naam van de roos), een spannende detectiveroman die zich in 1327 afspeelt in het kader van de strijd tussen het centrale gezag van de Rooms-Katholieke Kerk en verschillende stromingen daarin die met geweld werden onderdrukt. De historische achtergrond wordt uitgebreid geschetst. Het boek ademt het ritme van het kloosterleven en de hoofdstukken zijn ingedeeld naar de gebedstijden binnen de kloostermuren. Een tweede roman, De slinger van Foucault, speelt zich af in het heden, maar gaat vooral over de erfenis van de tempeliers en de rozenkruisers, laat-middeleeuwse mystieke bewegingen. Daarnaast zijn van Eco nog een aantal bundels met essays verschenen en vijf romans: Het eiland van de vorige dag (1995), Baudolino (2001), De mysterieuze vlam van koningin Loana (2005), De begraafplaats van Praag (2010), en Het nulnummer (2015). In 2001 schreef hij samen met de gepensioneerde aartsbisschop van Milaan, Carlo Maria Martini het boek Geloven of niet geloven: een confrontatie. Eco stond tevens te boek als een autoriteit op het gebied van James Bond. Hij kreeg in 1998 de exclusieve Duitse onderscheiding “Pour le Mérite”. Enkele jaren voordien, namelijk in 1985 ontving Eco reeds een eredoctoraat aan de KU Leuven. Eco was tevens schrijver van kinderboeken. In 2012 ontving hij de Vrede van Nijmegen Penning. Eco overleed op 19 februari 2016 op 84-jarige leeftijd.

De naam van de roos

De naam van de roos is de Nederlandse vertaling van het in 1980 door de Italiaanse schrijver Umberto Eco geschreven boek Il nome della rosa. De vertaling uit het Italiaans is van Jenny Tuins en Pietha de Voogd. In 1986 is het verhaal verfilmd als The Name of the Rose door Jean-Jacques Annaud met Sean Connery en Christian Slater in de hoofdrollen. In 1999 werd het boek verkozen in Le Mondes 100 boeken van de eeuw. De roman “De naam van de roos” speelt zich af in de middeleeuwen. Het boek heeft de vorm van een misdaadroman, gesitueerd binnen de muren van een Benedictijner abdij. Als zodanig is het gemakkelijk toegankelijk voor de lezer, maar, zoals gebruikelijk bij Umberto Eco, bevat het boek onder het oppervlak van het “detective-verhaal” tal van diepere lagen en literaire verwijzingen.

In november van het jaar 1327 wordt de franciscaner monnik William van Baskerville door de Duitse keizer, Lodewijk van Beieren, naar een Benedictijner abdij in Noord-Italië gestuurd. Hij heeft als opdracht een congres voor te bereiden waaraan Benedictijnen en Franciscanen zullen meewerken. Er moet daar een oplossing worden gevonden voor het voortslepende conflict over de armoede tussen de Franciscaanse minderbroeders en paus Johannes XXII. Het verhaal wordt aan het eind van zijn leven verteld door de destijds jonge benedictijnse novice Adson van Melk, die destijds als leerling-secretaris met William meereisde.

Sacra di San Michele, de abdij die Eco tot inspiratie diende voor de setting van zijn boek. Door Elio Pallard – Eigen werk

Wijn en de Benedictijnen

De wijnproductie in de Bourgogne dateert uit de eerste eeuw. De Romeinen introduceerden de eerste wijnranken in het gebied. Maar de wijnproductie heeft vooral in de middeleeuwen een grote vlucht genomen en de basis gelegd voor de huidige naam en faam van de Bourgondische wijnen. Vooral de kerk heeft een grote rol gespeeld. De stichting van de abdij van Cluny in 910 leidde tot veel benedictijnse kloosters rondom burchten en steden als Gevrey, Morey en Vosne.

Wijnwereld schatplichtig aan Christendom

Kerk en wijn zijn in de geschiedenis altijd innige bondgenoten geweest. De Bijbel staat vol met verwijzingen naar wijn. Er is het bekende verhaal over Jezus die op een bruiloft water in wijn verandert. En niet zo maar wijn, als we Johannes (2:10) mogen geloven: ‘Iedereen zet zijn gasten eerst de goede wijn voor en als ze dronken zijn de minder goede. Maar u hebt de beste wijn tot nu bewaard!’ In bijbelse tijden stond wijn voor rijkdom en een goed leven.

Wijnwereld schatplichtig aan Christendom

Nuestra Señora de Valvanera

Het is dankzij monniken dat de teelt van druiven en het maken van wijn in een stroomversnelling kwam. Verschillende kloosters hebben geëxperimenteerd met nieuwe technieken en methoden. Met name de Benedictijner monniken waren actief in de wijnbouw. Zij stichtten een van de voornaamste kloosters van Europa, de Abdij van Cluny, rond het jaar 910. Van daaruit plantten de Benedictijnen enorme wijngaarden aan. Eerst in de Bourgogne en later verspreid over heel Europa. Zo vind je de Benedictijnen in de Ahr, Rioja, Italië, Duitsland, ja bijna overal in Europa!

Wijnwereld schatplichtig aan Christendom

Pannonhalmi Apátsági

Het leuke is dat die Benedictijnen nog steeds actief zijn in de wijngaard en daar goede wijnen produceren. In Hongarije bijvoorbeeld: de abdij van Pannonhalmi Apátsági. En in Italië; tijdens onze vakantie in de Alto Adige ontdekten we de abdijwijn van Muri-Gries, waar een van de beste Lagreinwijnen wordt verbouwd. De monumentale kloosterlijke wijngaard is met 2,7 hectare een van de grootste in het centrum van de stad Bolzano. In eerste instantie werd de wijn alleen voor eigen gebruik geproduceerd, maar vanaf het begin van de 20e eeuw kwam daar verandering in. Gelukkig maar want het is een prachtige wijn. Fluweelzacht, warm en bomvol zwart fruit. Ik maak een buiging en neem mijn hoed af voor dit monnikenwerk.

Wijnwereld schatplichtig aan Christendom

Abtei Muri-Gries

Dom Pérignon

De benedictijnen in het algemeen en Dom pérignon in het bijzonder hebben een cruciale rol gespeeld in de ontwikkeling van champagne, namelijk de omzetting van rosé of rode vin tranquille tot witte vin mousseux. Niet voor niets noemde men al tijdens zijn leven de door hem geproduceerde koolzuurhoudende wijnen niet vins de Hautvillers, maar vins de Pérignon.

Wijnwereld schatplichtig aan Christendom

Stift Admont

Pierre Pérignon werd waarschijnlijk geboren op een van de laatste dagen van 1638 in Sainte-Menehould, in het grensgebied van Champagne en Lotharingen, aan de rand van de prachtige eikenbossen van Argonne. Zijn vader was advocaat, maar de familie bezat ook wijngaarden. Het is daarom aannemelijk dat Pierre reeds op jeugdige leeftijd de wijncultuur leerde kennen. Wellicht hielp hij bij de druivenoogst op het familiebezit. Vermoedelijk was hij amper 17 toen hij zijn noviciaat aanvatte in het sobere en strenge benedictijnenklooster van Saint-Vanne en Saint-Hydulphe tussen zijn geboorteplaats en het oostelijker gelegen Verdun. Hij bleef er tot in 1668, maar verbleef ook in de abdij Notre-Dame de Breuil bij Commercy, om er filosofie en theologie te studeren, en in de abdij van Moiremont.

Wijnwereld schatplichtig aan Christendom

Stift Admont

Zoals alle monniken spendeerde hij zijn tijd in de abdij Saint-Vanne aan bidden en werken, maar niets wijst erop dat Pierre Pérignon er zich wijdde aan de wijnbouw – iets waaraan hij later, in Hautvillers, een flink deel van zijn tijd zou moeten besteden.

Wijnwereld schatplichtig aan Christendom

Abbey Dom Pérignon

Pierre Pérignon bleek buitengewoon begaafd: in 11 jaar tijd tussen zijn intrede en 1668, had hij reeds de eervolle status van ‘Dom’ bereikt. In die hoedanigheid werd hij uitgezonden naar de abdij Saint-Pierre in Hautvillers. In 1670 werd hij procurator, waarmee hij, na de abt, de hoogste positie in het klooster bekleedde. Als procurator was hij gekozen en gemachtigd beheerder van alle bezittingen van het klooster – inclusief wijngaarden en kelders. Toen hij zijn functie aanvaardde, bezat de abdij ongeveer 10 ha wijngaard. Bovendien waren wijngaarden en kelders slecht onderhouden. Zijn eerste karwei was het restaureren en op orde brengen van het bezit. Vervolgens wist hij het wijngaardbezit geleidelijk uit te breiden. Het wijngoed van de abdij telde uiteindelijk 24 ha, met percelen in Hautvillers, Champillon, Cumières, Dizy, Ay, alle op de rechteroever van de Marne en perfect gelegen, en zelfs in Mardeuil, aan de andere kant van de rivier. Het wijndomein van de abdij van Hautvillers ontwikkelde zich onder Dom Pérignon tot een modelbedrijf: de wijngaardverzorging was optimaal en verliep volgens strikte regels, opgesteld door Dom Pérignon. Ook liet Dom Pérignon een nieuwe kelder construeren, ondergronds, uitgehakt in de kalksteen. Was Dom Pérignon daarmee de eerste die zich realiseerde dat champagne, om zijn klasse te kunnen tonen, ettelijke jaren onder een lage en constante temperatuur moet rijpen? Was hij de eerste die besefte dat kelders zich perfect lenen voor deze rijpingsfase en dat ze met relatief weinig moeite kunnen worden uitgegraven in de zachte kalksteen van Champagne? Was de nieuwe, grote Biscornettes kelder onder Hautvillers de voorloper van de soms gigantische kelders die de Champenois in de 18de en 19de eeuw in de kalksteen hebben uitgehakt?

Wijnwereld schatplichtig aan Christendom

Zevenenveertig jaar verbleef Dom Pérignon in de abdij van Saint-Pierre te Hautvillers. Hij was een vriendelijke, intelligente, ijverige en nauwgezette man. Door zijn maniakale manier van werken en zijn kieskeurige wijze van archiveren – bijna boekhoudkundig – kwam hij tot de ontdekking dat de mousserende wijn uit zijn streek door assemblage meer harmonie, meer complexiteit, meer waarde kon krijgen. Naar verluidt kon Dom Pérignon simpel door te proeven de wijngaard van herkomst van een druif vaststellen. Bovendien bedacht hij in zijn hoofd wat de ideale assemblage zou worden en zodoende kon hij dicteren dat de wijn van wijngaard A moest worden samengebracht wet wijn van wijngaard B, C en D en ook met die van X, Y en Z. Hij maakte nooit een fout, zo wil de legende ons doen geloven. Feit is dat zijn kwaliteiten als wijnmaker door andere keldermeesters uit die tijd en later werden erkend en gewaardeerd. Dom Pérignon overleed op 77-jarige leeftijd, 14 september 1715, in het klooster van Hautvillers. Hij werd ter plaatse begraven in de kerk van Saint-Hydulphe; zijn grafsteen ligt vlak bij het altaar, vooraan in de abdijkerk. Zijn naam leeft tot op heden voort.

Wijnwereld schatplichtig aan Christendom

Valmagne

De abdij van Valmagne (Frans: Abbaye de Valmagne) is een voormalige cisterciënzerabdij nabij Villeveyrac in het departement Herault in het zuiden van Frankrijk. Ze staat als historisch monument op de Franse monumentenlijst.

De abdij van Valmagne werd in 1138 gesticht als een abdij van de benedictijnen. Na twintig jaar werd ze per decreet van paus Adrianus IV overgedragen aan de cisterciënzers. Deze situatie bleef tot de Franse Revolutie van kracht, toen de kloosters en abdijen geconfisqueerd werden en hun bezittingen verkocht of vernietigd. Valmagne ontsnapte aan de sloop omdat het complex in 1791 in zijn geheel aan de heer Granier-Joyeuse verkocht werd. Hij verbouwde de abdijkerk tot wijnkelder, waar de wijn in grote eiken vaten bewaard wordt. Tegenwoordig heeft het gebouw nog steeds deze functie.

De abdij van Valmagne werd in 1138 gesticht door Raymond Trencavel, burggraaf van Béziers, met monniken van het benedictijnse klooster Ardorel bij Albi. In 1145 verzocht de tweede abt, Pierre, om onder de orde der cisterciënzers geplaatst te worden. Trencavel weigerde dit verzoek, maar paus Adrianus IV bevestigde de band tussen de abdij en de cisterciënzerorde. De abdij aanvaardde de leer van Bernard van Clairvaux en werd ze een dochterklooster van de Abdij van Bonnevaux.

Valmagne maakte in een korte tijd een snelle groei door, omdat de landeigenaren land en geld aan de abdij schonken. De gebouwen werden uitgebreid en er werd door de monniken een wijngaard van 5 ha aangelegd. Valmagne was van de twaalfde eeuw tot de veertiende eeuw een van de rijkste abdijen in zuidelijk Frankrijk en op het hoogtepunt leefden er bijna 300 monniken. Toen door de groei de originele Romaanse kapel te klein werd, kreeg de abdij in 1257 toestemming om een nieuwe kerk te bouwen. Deze werd in veertig jaar tijd in Gotische stijl gebouwd en tegelijkertijd werd het gebrandschilderd glas vernieuwd.

In 1348 trof de Pest het gebied, waarbij veel monniken stierven en vele anderen vluchtten. De abdij ging verder achteruit toen de abdij tijdens de Honderdjarige Oorlog door passerende huursoldaten belegerd en geplunderd werd. De abten konden na de oorlog de oorspronkelijke bloei niet herstellen en daarom werden veel van de landerijen en andere bezittingen verkocht. Vanaf 1477 werden abten van buiten de regio aangewezen. Dit leidde tot oprekken van de religieuze leefregels en afname van de loyaliteit van de abt aan het klooster. Tijdens de Hugenotenoorlogen in de zestiende eeuw was de abdij bijna verlaten. In 1575 werden tijdens een aanval van de hugenoten alle ramen vernietigd en raakten de andere gebouwen op het complex, vooral het klooster, zwaar beschadigd.

In de zeventiende eeuw werden er preventieve maatregelen uitgevoerd en delen van het dak van de kerk werden verstevigd om te voorkomen dat het in zou storten. Het klooster was gerepareerd, maar de abdij was in de schulden geraakt en de abdij had te weinig financiële middelen om alle gebouwen goed te herstellen. Een voorbeeld hiervan was dat de vele gebroken ramen in de kerk niet van nieuw glas voorzien, maar dichtgemetseld werden. De abdij ging in de achttiende eeuw verder achteruit en er woonden steeds minder monniken in de abdij. Tijdens de Franse Revolutie werd de abdij opnieuw geplunderd. Bij deze plundering werden meubels, schilderijen en archieven verbrand. In 1790 verlieten de laatste drie monniken de abdij van Valmagne en de laatste kostbaarheden werden geconfisqueerd. In 1791 werd de abdij verkocht aan de heer Granier-Joyeuse, die de kerk tot een wijnkelder ombouwde. Hij bouwde lange houten vaten in de apsis en de kapellen van de kerk. Na zijn dood werd de voormalige kerk aangekocht door graaf Henri-Amédée-Mercure de Turenne en het complex is nog steeds in bezit van diens familie.

De wijngaard is aangelegd in de twaalfde eeuw door de cisterciënzer monniken en is sinds die tijd in gebruik geweest. Tegenwoordig beslaat de wijngaard 75 hectare, waarvan 30 hectare als Appellation d’origine contrôlée goedgekeurd is. Er zijn twee soorten terroir op het complex de eerste op klei- en kalkgronden die door de AOC als witte wijn geclassificeerd is en de tweede op zandsteen- en mergelgronden.

Wijnwereld schatplichtig aan Christendom

Rhone

De coöperatie Vignerons Laudun-Chusclan (wijnbouwers afkomstig uit de gemeente Laudun en Chusclan) bestaat uit een samenwerkingsverband tussen twee coöperatieve wijnkelders, welke voortkomt uit een vrijwillige verzoening tussen Vignerons Laudun (opgericht in 1925) en Vignerons Chusclan (opgericht in 1939). Het ligt in het departement Gard, op de rechteroever van de Rhône. De regio Gard ligt op 15 kilometer van Châteauneuf-du-Pape. Het wijngaardbezit omvat 2.300 hectare, waarvan 1.760 hectare appellationstatus bezit. De oorsprong van deze wijngaard gaat terug tot het begin van het eerste millennium, waar het leger van Ceasar het Rhoônegebied bewaakte. Met een oppervlakte van 18 hectare aan totaal langgoed, in de vallei de Cèze en de Tave, kent de stichting van de stad Laudun haar oorsprong. In het gebiedje Le Clos de Taman (Clos betekent ‘muur’), dat ligt aan de voet van het dalvallei, is de oude vestiging nog goed zichtbaar. Hellingen die tegen de voorgrond van de wijngaarden liggen ‘geduwd’, duiden op voorouderlijke wijnbouw; de fundering van de voormalige wijnhuizen met aangrenzende wijngaarden. Op de top, tussen heuvels en rivier, vinden we Chateau Gicon; welke vroeger diende uit uitkijkpunt en strategische visie op het Rhônedal. Het kasteel was eigendom van de benedictijnen van St. Saturinus, ‘the lords of Gicon’, die de cultuur van de wijnstok ontwikkeld hebben. Het geheim van de wijnbouw en de ontwikkeling van wijnen op hoog kwalitatieve bodem, ligt bij deze heren. Om die reden, uit respect en voortzetten van wijsheid, heeft Vignerons Laudun Chusclan getracht volledige renovatie van het kasteel te bewerkstelligen.

Het symbool in hun logo (links) is dan ook een eerbetoon aan de ontwikkeling van de wijnstok en de expertise deze te blijven verbeteren. Vandaag de dag werkt de coorperatie nog steeds vol goede energie samen en werken ze aan ambitieuze projecten voor de wijnbouw. De samenwerking geldt vanaf 2008. Bij de coöperatie zijn 200 wijnboeren aangesloten met een totaal aan 120 wijngaarden uit 25 verschillende gemeenten.

Wijnwereld schatplichtig aan Christendom

Abtei Prüm

Ahr

De eerste overtuigende vermeldingen van wijnbouw langs de Ahr, in documenten van de Benedictijner Abdij van Prüm (Eifel), dateren van de tweede helft van de negende eeuw.

Wijnwereld schatplichtig aan Christendom – Wijngaardbezit Cisterciënzers

Cisterciënzers

Zoals gezegd, de benedictijnen bestaan al langer dan het klooster van Cluny, maar kort nadat dit in 910 werd opgericht, kreeg het de status van moederklooster. Dit kwam onder andere door een aantal langzittende doortastende abten. De macht van de benedictijnen was enorm, vooral tegen het einde van de 11e eeuw.

In 1098 trad een groep monniken uit de orde, omdat zij vonden dat de benedictijnen hun macht en rijkdom te veel in een luxe levensstijl omzetten. Ze stichtten in Cîteaux, ten oosten van Nuits-Saint-Georges, een nieuwe orde: de Cisterciënzers. Die naam komt voort uit de plek die ze uitkozen: die heette aanvankelijk Cisteaux en werd vertaald als Cistercium in het Latijn. De groep wilde terug naar, eenvoudig gezegd, het motto van Benedictus van Nursia: ora et labora, ‘bid en werk’, hoewel dat adagium nergens in de Bijbel voorkomt. Veel werd anders dan bij de benedictijnen: terwijl die kozen voor prachtige kloosters in het zicht van iedereen, zoals op heuvels, bouwden de cisterciënzers in afgelegen gebieden bij rivieren hun kloosters in een veel soberder stijl. Tevens kozen zij voor een wit habijt, tegenover het zwart van de benedictijnen. Zij leefden aanvankelijk ook veel soberder maar werden snel rijker en de orde werd zo succesvol, dat deze de rol van de benedictijnen als machtigste orde in de 12e eeuw overnam. Tegen 1500 waren er bijna 1.400 kloosters, waarvan bijna 740 van monniken en de rest van nonnen. Door deze rijkdom werd gaandeweg het zeer strenge regime minder sober, hoewel nooit zo luxueus als de benedictijnen een tijd geëtaleerd hadden. Een belangrijk man was Bernardus van Clairvaux.

Bernardus van Clairvaux

De heilige Bernard of Bernardus van Clairvaux (Fontaine-lès-Dijon, 1090 – Clairvaux, 20 augustus 1153) was een Franse abt en de belangrijkste promotor van de hervormende kloosterorde van de Cisterciënzers. Door zijn optreden kwam er een einde aan de zogenoemde adelskerk (of Adelskirche).

Algemeen beeld en betekenis

Na de dood van zijn moeder trad Bernard in 1113 toe tot de Cisterciënzer orde. Spoedig kreeg hij opdracht om een dochterklooster te stichten, dat hij op 25 juni 1115 de naam Claire Vallée, ‘Clairvaux’ gaf. Bernard predikte een onmiddellijk geloof, waarin de bemiddelaar de Maagd Maria was. In het jaar 1128 speelde Bernard een rol in het Concilie van Troyes, waarin hij de contouren van de regels van de tempeliers schetste, die al snel het ideaal van de christelijke adel werden.

Bij de dood van paus Honorius II op 14 februari 1130, brak er een schisma uit in de kerk. Koning Lodewijk VI van Frankrijk riep een nationaal concilie van de Franse bisschoppen bijeen in Étampes, waar Bernard werd gekozen om te oordelen over de rivaliserende pausen. In 1139 woonde Bernard het Tweede Lateraans Concilie bij. Bernard hekelde de leer van Pierre Abélard bij de paus, die vervolgens het Concilie van Sens in 1141 bijeenriep om deze zaak verder af te wikkelen. Bernard zag een van zijn leerlingen, Bernard van Pisa tot paus gekozen worden, Na eerder geholpen te hebben het schisma binnen de Kerk te beëindigen, kreeg Bernard nu de opdracht om de ketterij te bestrijden. In juni 1145 reisde Bernard naar het zuiden van Frankrijk en zijn prediking versterkte de steun tegen ketterij.

Na de christelijke nederlaag bij het Beleg van Edessa (28 november tot 24 december 1144) tegen de moslimstrijders van Zengi droeg de paus Bernard op om in zijn preken op te roepen tot een Tweede Kruistocht. De laatste jaren van het leven van Bernard werden bezwaard door de mislukking van deze Tweede Kruistocht, waarvoor hij de hele verantwoordelijkheid in zijn schoenen kreeg geschoven. Bernard overleed op drieënzestigjarige leeftijd, na 40 jaar doorgebracht te hebben in het klooster. Hij was de eerste Cisterciënzer monnik die werd opgenomen in de Heiligenkalender. Op 18 januari 1174 werd hij door paus Alexander III heilig verklaard. Paus Pius VIII gaf hem in 1830 de titel van “Doctor van de Kerk”. Vanaf dat moment geldt hij ook als kerkleraar.

Vroege leven 1090-1113

Bernards ouders waren Tescelin, de heer van Fontaines, en Aleth van Montbard, beiden behorend tot de hoogste adel van Bourgondië. Bernard was de derde zoon in een gezin van zeven kinderen, zes zonen en een dochter. Op de leeftijd van negen jaar verliet Bernard zijn ouderlijk huis en startte hij zijn studies aan de kapittelschool van Saint-Vorles te Châtillon-sur-Seine. Deze werd geleid door de seculiere kanunniken van Saint-Vorles. Bernard had een grote voorkeur voor de literatuur en wijdde zich gedurende enige tijd aan poëzie. Met zijn succes in zijn studie oogstte hij bewondering van zijn leermeesters. Bernard wenste uit te blinken in de literatuur om zo snel mogelijk aan de Bijbelstudie te mogen beginnen. Hij had een bijzondere devotie voor de Maagd Maria, en hij zou in zijn latere leven verschillende werken over de Koningin van de Hemelen schrijven.

Geboortehuis van Bernard van Clairvaux in Fontaine-lès-Dijon.

Bernard zou voortbouwen op de rol van Anselmus van Canterbury in het omvormen van het sacramenteel rituele christendom van de vroege middeleeuwen naar een nieuw, meer persoonlijk beleefd geloof, met het leven van Christus als een rolmodel en met een nieuw accent op de Maagd Maria. In tegenstelling tot de rationele benadering om het goddelijke te begrijpen dat de scholastici voorstonden, predikte Bernard een onmiddellijk geloof, waarin de bemiddelaar de maagd Maria was,

Bernard speelde een leidende rol in de ontwikkeling van de cultus van de Heilige maagd, een van de belangrijkste uitingen van alledaagse vroomheid in de twaalfde eeuw. In het vroegmiddeleeuwse denken, had de maagd Maria een ondergeschikte rol gespeeld en het was pas nu met de opkomst van het emotionele christendom in de elfde eeuw, dat Maria de belangrijkste bemiddelaar werd tussen de mensheid met de godheid.

Toen Bernard zeventien of negentien jaar oud was stierf zijn moeder. Tijdens zijn jeugd ontsnapte hij niet aan wereldse verleidingen en in deze tijd dacht Bernardus eraan om zich uit de wereld terug te trekken en een leven van eenzaamheid en gebed te gaan leiden. In 1098 had Robert van Molesme het klooster van Cîteaux, nabij Dijon, opgericht met het oog op het herstel in al haar strengheid van de Regels van Sint-Benedictus. Terugkerend naar Molesmes liet hij het dagelijks bestuur van de nieuwe abdij over aan Alberic van Citeaux, die in het jaar 1109 stierf. In 1113, toen Stephen Harding net was aangetreden als derde abt van Cîteaux, trad Bernard samen met dertig andere jonge edellieden uit Bourgondië toe tot de cisterciënzerorde.

Abdij van Clairvaux (1113-28)

De kleine gemeenschap van hervormingsgezinde benedictijnen in Cîteaux, die zo’n diepgaande invloed zou hebben op het Westelijke kloosterleven, groeide snel. Hij praatte zijn volledige familie, waaronder zijn vader, het klooster in. Reeds drie jaar later werd Bernard met een groep van twaalf monniken uitgezonden om een nieuw klooster te stichten in de Vallée d’Absinthe, in het bisdom Langres. Bernard noemde dit nieuwe klooster op de 25 juni 1115, Claire Vallée, of Clairvaux, en vanaf dat moment zouden de namen van Bernard en van Clairvaux onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Tijdens de afwezigheid van de bisschop van Langres werd Bernard als abt ingezegend door Willem van Champeaux, de bisschop van Châlons-sur-Marne. Vanaf dat moment bloeide er een sterke vriendschap tussen de abt en de bisschop, die tevens hoogleraar was in de theologie op de Notre Dame van Parijs en de stichter van de klooster van St. Victor.

De begintijd van de abdij van Clairvaux was een beproeving. Het regime was zo ascetisch dat Bernard ziek werd, en alleen de invloed van zijn vriend Willem van Champeaux, en het gezag van het Algemeen Kapittel kon hem het strenge regime enigszins doen verzachten. Het klooster maakte echter snel vooruitgang. Discipelen kwamen er in groten getale op af en stelden zich onder de leiding van Bernard. Zijn vader en al zijn broers traden in Clairvaux in als religieuzen, waardoor slechts zijn zuster, Humbeline, in wereldlijke sferen verbleef en ook zij kreeg al snel toestemming van haar man in te treden in het benedictijner klooster van Jully. Gerard van Clairvaux, Bernards oudere broer, werd de keldermeester van Citeaux. De abdij werd te klein voor het aantal religieuzen dat er verbleef en het bleek noodzakelijk groepen uit te zenden om nieuwe kloosters te stichten. In 1118 werd het klooster van de Drie Fonteinen gesticht in het bisdom Châlons. In 1119 het klooster van Fontenay in het bisdom Autun en in 1121 dat van Foigny, in de buurt van Vervins, in het bisdom Laon. Naast deze successen waren er ook tegenslagen. Tijdens een afwezigheid van Bernard uit Clairvaux, lokte de Grote Prior van Cluny Bernards getalenteerde neef, Robert van Châtillon weg. Dit was de aanleiding voor de langste en meest emotionele van Bernards brieven.

Abbaye Fontenay

In het jaar 1119 was Bernard aanwezig tijdens de eerste algemene vergadering van de Cisterciënzer orde, die bijeen was geroepen door Stephen Harding. Hoewel hij nog geen 30 jaar oud was, werd er met de grootst mogelijke aandacht en respect naar Bernard geluisterd, vooral wanneer hij zijn gedachten over de heropleving van de oorspronkelijke geest van regelmaat en ijver in alle monastieke ordes uiteenzette. Het was deze algemene vergadering die de definitieve vorm gaf aan de statuten van de Cisterciënzer orde en aan de dagelijkse regels zoals deze werden vastgelegd in het “Handvest van Barmhartigheid”, dat door paus Calixtus II op 23 december 1119 werd bevestigd.

In 1120 schreef Bernard zijn eerste werk “De Gradibus Superbiae et Humilitatis” en zijn homilieën, die hij de titel “De Laudibus Mariae” meegaf. De monniken van de abdij van Cluny waren niet gelukkig om te zien dat Cîteaux steeds meer de leidende rol binnen de religieuze ordes van de rooms-katholieke kerk overnam. Om die reden probeerden de zwarte monniken de regels van de nieuwe orde als onpraktisch en in de praktijk niet haalbaar af te schilderen. In de intredingsonderhandelingen met Willem van St.-Thierry, verdedigde Bernard zijn orde door de publicatie van een “Apologie” die uit twee delen bestond. In het eerste deel bewees hij onschuldig te zijn aan de aantijgingen van Cluny en in de tweede onderbouwde hij zijn tegenaanval. Wel putte hij zich uit in blijken van zijn enorme waardering voor de benedictijnen van Cluny van wie hij aangaf evenveel te houden als van alle andere religieuze orden binnen de Rooms-katholieke kerk. Petrus de Eerbiedwaardige, de abt van Cluny, antwoordde Bernard en verzekerde hem van zijn grote bewondering en oprechte vriendschap. In de tussentijd werd er een hervorming in Cluny doorgezet, en werd de abt Suger, minister onder Lodewijk VI gewonnen voor Apologie van Bernard. Hij haastte zich zijn wereldse leven af te ronden en de discipline in zijn eigen klooster te herstellen. De geloofsijver van Bernard breidde zich uit tot bisschoppen, geestelijken en leken. Bernards brief aan de aartsbisschop van Sens, De Officiis Episcoporum, werd gezien als een echte verhandeling. In dezelfde periode schreef hij zijn werk over Genade en vrije wil.

Abbaye Citeaux

Abt

Hij was enorm sterk in het beïnvloeden van mensen. Dat blijkt uit een anekdote die verhaalt dat hij in Cîteaux aankwam in het gezelschap van al zijn broers. In 1112 trad hij in in dit strenge klooster, de bakermat van de Cisterciënzerorde, die sindsdien een hoge vlucht nam. Na één jaar als novice en twee jaar als gewoon monnik kreeg Bernard al in 1115 opdracht het derde dochterhuis van Cîteaux, het klooster Clairvaux te stichten, dat op zijn beurt een middelpunt werd van vele nieuwe kloosterstichtingen. Hij werd na de stichting de eerste abt van dit klooster. Tot aan zijn dood in 1153, zou hij abt blijven, al slaagde hij erin deze opdracht te combineren met een druk leven als prediker, schrijver en denker. Hij was een man van actie, onophoudelijk reizend door Europa, waarbij hij ketterijen van andersdenkende christenen neersloeg en de Tweede Kruistocht predikte. Hij liet 350 preken na, meer dan 500 brieven en een aantal verhandelingen. De abdijen van de benedictijnen stonden elk afzonderlijk. Bernard organiseerde naar het voorbeeld van Cluny visitaties, inspectiebezoeken van het moederklooster bij de dochterkloosters. Alle zaken van de orde werden jaarlijks besproken met alle abten op een algemeen kapittel. Zijn klooster had 700 monniken en 160 dochterkloosters. Paus Eugenius III, een vroegere leerling van hem, droeg hem op de Tweede Kruistocht te prediken, die echter mislukte. Bernard weigerde voorts aartsbisschop van Milaan te worden, waardoor hij zijn moreel gezag nog vergrootte.

Publiek optreden 1128-1146

Bernard correspondeerde met de machtigen van zijn tijd en waarschuwde hen dat ze hun eer niet alleen in uiterlijke dingen moesten zoeken, maar hij respecteerde wel hun positie. Een paar incidenten hebben Bernardus bij critici evenwel de naam gegeven vaak onverdraagzaam en minder tactvol te zijn. Twee daarvan zijn de conflicten tussen zijn Cisterciënzerorde en de Benedictijnen en ook in het conflict van Abélard is zijn rol niet onomstreden. Daarnaast bestreed hij Arnoldus van Brescia in Italië, die veroordeeld werd en ter dood gebracht en Petrus van Bruys (Pierre de Bruis) en Hendrik van Lausanne (Henri de Lausanne), de predikende monniken uit het zuiden van Frankrijk, die als ketters werden veroordeeld.

Bernard van Clairvaux

In 1132 vergezelde Bernard Innocentius II naar Italië en in hetzelfde jaar maakte de paus in Cluny een einde aan de verschuldigde contributie die Clairvaux jaarlijks aan de abdij van Cluny (het moederklooster) moest betalen. Deze beslissing van de paus was de aanleiding voor een fikse ruzie tussen de witte monniken en de zwarte monniken, die 20 jaar zou duren. In mei van dat jaar betrad de paus, gesteund door het leger van keizer Lotharius III, Rome, maar Lotharius voelde zich niet sterk genoeg om weerstand te bieden aan de medestanders van Anacletus en trok zich terug achter de Alpen, waarna Innocentius II gedwongen werd om in september 1133 zijn toevlucht te zoeken in Pisa. Bernard was in juni teruggekeerd naar Frankrijk en was daar bezig met zijn vredestichtende werken, waar hij reeds in 1130 aan was begonnen. Tegen het einde van 1134, maakte hij een tweede reis in Aquitanië, waar Willem X was teruggevallen in zijn schismatische neigingen. Bernard nodigde Willem uit voor de Mis die hij zou opdragen in de kerk van La Couldre. Tijdens de eucharistieviering “vermaande hij de hertog om God niet te verachten, zoals hij met zijn dienaren deed”. William gaf toe en het schisma werd beëindigd. Bernard ging weer naar Italië, waar Rogier II van Sicilië pogingen deed om Pisa uit hun bondgenootschap met Innocentius II terug te trekken. Hij herinnerde de stad Milaan aan haar gehoorzaamheid aan de paus, aangezien deze stad achter de afgezette Anselmus V, aartsbisschop van Milaan stond. Hiervoor werd hem de functie van aartsbisschop van Milaan aangeboden, maar hij weigerde. Daarna keerde hij terug naar Clairvaux. Gelovend dat hij eindelijk weer veilig en rustig thuis was in zijn eigen klooster, wijdde Bernard zich met hernieuwde kracht aan het scheppen van de werken die hem de eretitel Doctor van de Kerk zouden bezorgen. Hij schreef in deze periode zijn “preken over het Hooglied.” In 1137 werd hij echter opnieuw gedwongen op bevel van de paus zijn thuisbasis te verlaten om nu een einde te maken aan een conflict tussen Lotharius en Roger van Sicilië. Tijdens een vredesconferentie in Palermo, slaagde Bernard erin om Roger te overtuigen van de legitieme rechten van Innocentius II. Hij slaagde er nu ook definitief in om de laatste supporters van het schisma het zwijgen op te leggen. Anacletus stierf vervolgens in 1138 van “droefheid en teleurstelling” en daarmee werd het schisma beëindigd.

Hooglied

Het is de bestemming van de mens om lief te hebben. Wellicht is dit de beste samenvatting van het literaire oeuvre van Bernardus van Clairvaux (1090 – 1153). Ontelbare preken, een aantal verhandelingen, honderden brieven heeft hij ons nagelaten. Eindeloos zijn ze overgeschreven, zoals blijkt uit het grote aantal handschriften dat ons is overgebleven. De werken van Bernardus waren in de middeleeuwen bestsellers; hij beschikte over een groot literair talent. Zijn flonkerende taal was het instrument waardoor hij zijn diepe ervaring en godsbeleving aan anderen kon overdragen.

Dit is een eerste deel in een Nederlandse uitgave van Bernardus’ preken over het Hooglied, in een nieuwe en eigentijdse vertaling door de benedictijnse monnik Nico Visser. Bernardus geeft in deze eerste preken een uitleg bij het openingsvers ‘Hij kusse mij met de kus van zijn mond’. Elke ochtend spreekt hij tot zijn gemeenschap over de betekenis van dit vers en stapje voor stapje wijdt hij zijn broeders in het geheim van het goddelijk verlangen in. De preken zijn ook vandaag de dag nog actueel; ze gaan over de voorbereiding op de ontmoeting met de Geliefde, over de toenadering van God en de uiteindelijke ervaring van mystieke eenwording. Bernardus’ preken over het Hooglied zijn een basistekst voor iedereen die zich interesseert in mystiek en daarbij zeer onderhoudende lectuur.

Bernardus van Clairvaux bekeert Willem van Aquitanië

Bernards invloed werd al snel gevoeld in provinciale aangelegenheden. Hij verdedigde de rechten van de Kerk tegen de aantastingen daarvan door koningen en vorsten, en herinnerde Henri Sanglier, de aartsbisschop van Sens en Stephen van Senlis, de bisschop van Parijs, aan hun plicht. Bij de dood van paus Honorius II op 14 februari 1130, brak er bij de verkiezing van een nieuwe paus een schisma uit, toen er twee pausen werden gekozen, Innocentius II en Anacletus II. Innocentius II werd door Anacletus uit Rome verbannen en zocht zijn toevlucht in Frankrijk. Koning Lodewijk VI riep vervolgens een nationaal concilie van de Franse bisschoppen in Étampes bijeen, en Bernard kreeg, nadat hij in opdracht van de bisschoppen naar Étampes was gekomen, de opdracht een oordeel uit te spreken over de twee rivaliserende pausen. Hij oordeelde ten gunste van Innocentius II. Zijn oordeel leidde ertoe dat alle grote mogendheden Innocentius II erkenden. Vervolgens reisde Bernard samen met Innocentius II naar Italië, waar hij erin slaagde om Pisa, Genua en Milaan met deze paus te verzoenen. In datzelfde jaar stond Bernard tijdens het Concilie van Reims opnieuw aan de zijde van Innocentius II. Vervolgens ging hij naar Aquitanië, waar hij erin slaagde om Willem X van Aquitanië, graaf van Poitiers, tijdelijk uit het kamp van Anacletus te verwijderen.

In 1139 assisteerde Bernard van Clairvaux bij het Tweede Concilie van Lateranen, tijdens welke bijeenkomst de overlevende aanhangers van het schisma definitief werden veroordeeld. Ongeveer tegelijkertijd kreeg Bernard in Clairvaux bezoek van Sint-Malachias, de aartsbisschop van Ierland. Er vormde zich al snel een zeer nauwe vriendschap tussen beide mannen. Malachias wilde zelfs toetreden tot de Cisterciënzer orde, maar kreeg hiervoor geen toestemming van de paus. Malachias zou in 1148 in Clairvaux sterven.

Conflict met Abélard

Een berucht incident is het conflict tussen Bernard van Clairvaux en een van de andere grote geesten van zijn tijd: Petrus Abaelardus (Pierre Abélard). Bernard kon als mysticus moeilijk verteren dat er vanaf het einde van de 11e eeuw op de scholen van filosofische en theologische opleidingsscholen (er waren nog geen universiteiten) enige tijd een geest van onafhankelijkheid heerste. Dit leidde tot de verheerlijking van de menselijke rede en het rationalisme. Deze beweging vond een vurig en krachtig pleitbezorger in de persoon van Pierre Abélard. Diens verhandeling over de Drie-eenheid werd in 1121 veroordeeld, omdat ze te veel met behulp van de ratio de basisbeginselen van het christelijk geloof probeerde te benaderen. Abélard werd gedwongen zijn eigen boek tijdens een boekverbranding in het vuur te gooien. In 1139 bepleitte hij opnieuw denkbeelden die in tegenspraak waren met die van Rome. Bernard van Clairvaux, hiervan op de hoogte gesteld door Willem van Sint-Thierry, sprak Abélard hier streng op aan. Toen deze hem vervolgens op beledigende wijze van repliek diende, kaartte Bernard deze zaak bij de paus aan, die vervolgens in 1141 in Sens een concilie belegde om deze zaak uit de wereld te helpen. Tijdens dit concilie vroeg Abélard om een openbaar debat met zijn tegenstander. Bernard bepleitte de zaak van Rome echter met een zo uitmuntende helderheid en met zulk een logische kracht, dat zijn opposant ervan afzag hem van repliek te dienen. Abélard werd veroordeeld en werd gedwongen zich uit het openbare leven terug te trekken. De paus bevestigde deze uitspraak van het concilie van Sens. Abélard legde zich hier zonder verzet bij neer. Hij vestigde zich onder abt Petrus Venerabilis als monnik in Cluny, waar hij twee jaar later stierf.

Petrus Abaelardus

Pierre Abélard, gelatiniseerd tot Petrus Abaelardus (Le Pallet bij Nantes, 1079 – in het klooster St. Marcel bij Chalon-sur-Saône, 21 april 1142), was een middeleeuwse Franse theoloog en filosoof die gerekend wordt tot de scholastici. Hij ligt begraven op het kerkhof Cimetière du Père-Lachaise in Parijs. Abaelardus was op jonge leeftijd reeds iemand met een grote reputatie te Parijs. Eerst was hij leraar in de dialectica en vervolgens docent theologie aan de kathedraalschool van de Notre-Dame. Abélard werd geboren als oudste zoon van Bérenger, de letterlievende heer van het dorp Le Pallet in Bretagne. Zijn familie behoorde tot de ‘kleine adel’. Raoul en Dagobert waren zijn broers. Abélard wilde geen krijgsman worden, zag af van zijn rechten als oudste zoon en verliet het ouderlijk huis om strijd te leveren op het terrein van studie en wetenschap. Hij trok van de ene school naar de andere en wilde zich de redeneerkunst eigen maken. Hij zwierf van Anjou naar Maine en Toraine.

In Loches zat hij aan de voeten van Roscelin, maar ze werden gezworen vijanden, omdat hij tijdens de colleges diens opvattingen krachtig bestreed. Op zijn zwerftocht als goliard, behorende tot de ‘groep vagebonderende intellectuelen, zwervende studenten en verlopen geestelijken’, belandde hij in Parijs. Hij was een voortreffelijk dichter, beschikte over een goede stem en voorzag vermoedelijk in zijn levensonderhoud door net als de goliards eigen verzen voor te dragen. Zijn roem als dialecticus was inmiddels al gevestigd. Hij beweerde over zichzelf: ‘de me presumens’, waarmee hij wilde zeggen: ‘wees je ervan bewust hoeveel ik waard ben’.

Magister Willem van Champeaux was befaamd om zijn redeneerkunst en Abélard werd zijn leerling. De leerling dreef zijn leermeester in het defensief en die moest uiteindelijk het onderspit delven. De studenten kozen zijn kant, maar Abélard, inmiddels zelf magister geworden, werd gedwongen uit Parijs te vertrekken. Hij had evenwel het recht verworven om zelf te doceren. Hij vestigde zich in Melun en daarna in Corbeil, waar heen studenten hem volgden om zijn originaliteit en nieuwe ideeën. Hij werd ernstig ziek en trok zich enige jaren terug in Bretagne. Toen trok hij opnieuw naar Parijs, hervatte zijn strijd met Willem, die zich gedwongen zag enkele van zijn stellingen te wijzigen, maar daarna moest Abélard toch weer zijn toevlucht zoeken in Melun. Bij gebrek aan leerlingen trok Willem zich terug op de Montagne Sainte-Geneviève. Daar vestigde zich ook de teruggekeerde, triomferende Abélard en studenten wisten hem daar te vinden. Het Ile de la Cité stroomde leeg en de Montagne werd het centrum van kennis en cultuur.

Abélard wilde zich in de theologie verdiepen om zich te meten met theologen, die beweerden dat hun wetenschap, de godgeleerdheid, boven alles verheven was. Hij ging naar Laon om in de leer te gaan bij Anselmus, ‘de vermaardste theoloog van zijn dagen’. Ook Anselmus viel hij hevig aan. Abélard vergeleek hem met ‘de vijgenboom die door de Heer vervloekt werd’. Om te bewijzen dat hij zelf beter kon onderwijzen kwam hij voor de dag met een commentaar op de profetieën van Ezechiël. Om dit commentaar, dat enthousiast werd ontvangen, te vervolgen, keerde hij terug naar Parijs. Daar nam hij Heloïse, een 17-jarig meisje dat al in heel Frankrijk geroemd werd om haar kennis, aan als zijn leerling, terwijl haar oom, kanunnik Fulbert, hem in natura betaalde: voedsel en onderdak.

Abélard  en Héloïse

Abélard is minstens even beroemd vanwege zijn privé-leven, waarover een uitgebreide briefwisseling tussen hem en zijn geliefde Héloïse is overgeleverd. Toen de dialecticus lesgaf in Parijs, verwekte hij een kind bij Héloïse, die het nichtje was van de domkanunnik Fulbertus bij wie hij in huis woonde. Abélard bracht Heloïse onder bij zijn zusje in Bretagne om van Astrolabus te bevallen en liet oom Fulbert weten dat hij met Heloïse zou trouwen. Maar dat moest wel strikt geheim blijven, want om wijsbegeerte en godgeleerdheid te mogen onderwijzen moest men kanunnik zijn en met een huwelijk vergooide Abélard zijn kansen daarop. Heloïse wilde daarom niet met hem trouwen. Ze veronderstelde dat hij met haar als echtgenote geen roem zou verwerven. Hij bleef bij zijn voornemen om te huwen en samen reisden ze naar Parijs. Hun zoon bleef in Bretagne achter. Oom Fulbert zou zelfs bij de huwelijksceremonie aanwezig zijn, maar hield zich niet aan zijn belofte zijn mond te houden. Om kletsverhalen uit de wereld te helpen bedacht Abélard een list: Heloïse moest zich terugtrekken in het klooster van Argentueil en het gewaad van een noviet aannemen tot kwade geruchten verstomd waren. Abélard verklaarde intussen dat er van een huwelijk helemaal geen sprake was. Uit wraak liet oom Fulbert hem door twee misdadigers castreren en mochten de geliefden elkaar niet meer zien. Abélard trok naar de abdij van Saint-Denis. Hij genas er van zijn verwondingen en schreef er zijn eerste theologische traktaat, over de heilige drie-eenheid. Boze theologen organiseerden toen in 1121 te Soissons een concilie om hem te veroordelen. Toen hij kwam opdagen ontkwam hij ternauwernood aan een lynchpartij, zijn traktaat werd verbrand en hij werd veroordeeld tot een levenslang verblijf in een klooster. Abélard ontvluchtte ook Saint-Denis en in 1132 een Bretons klooster, waar hij abt was geworden. De bisschop van Troyes ontfermde zich over hem. Op een stuk grond bij Nogent-sur-Seine mocht hij een onderkomen bouwen. Er kwamen studenten en het verblijf werd in steen herbouwd en toegewijd aan de Parakleet, de Heilige Geest als Vertrooster. Na een lange periode geen contact te hebben gehad, begon Héloïse, die eerst non en daarna abdis van het klooster van Argenteuil was geworden, een briefwisseling met Abélard, die in latere tijden een grote bekendheid zou verwerven.

Cisterciënzer orde en ketterij

Bernard was er intussen toe overgegaan groepen monniken uit zijn te druk bevolkte klooster uit te zenden naar Duitsland, Zweden, Engeland, Ierland, Portugal, Zwitserland en Italië. Sommige van deze groepen namen op bevel van Innocentius II bezit van de Drie Fonteinenabdij, van waaruit paus Eugenius III in 1145 zou worden gekozen. Paus Innocentius II stierf in het jaar 1143. Zijn twee opvolgers, paus Celestinus II en paus Lucius II regeerden slechts korte tijd, waarna Bernard een van zijn leerlingen, Bernardus van Pisa, daarna bekend onder de naam Eugenius III, tot de Heilige Stoel zag worden verheven. Bernard stuurde de paus, op diens verzoek, diverse opdrachten, die in verzamelde vorm het werk Over de Zelfbeschouwing (De Consideratione) vormen. De leidraad van dit werk is de gedachte dat de hervorming van de kerk zou moeten beginnen vanuit de heiligheid van de persoon van paus. Wereldlijke zaken zijn slechts bijzaken in vergelijking met echt belangrijke zaken als vroomheid en meditatie, die vooraf dient te gaan aan actie.

Na eerder geholpen te hebben het schisma binnen de Kerk te beëindigen, werd Bernard nu opgeroepen om de ketterij te bestrijden. Henri van Lausanne, een voormalige cluniacenzer monnik, had de leer van de petrobrusianen, volgelingen van Petrus van Bruys, aangenomen en deze leer in een gewijzigde vorm na de dood van Petrus van Bruys verder verspreid. Henri van Lausannes volgelingen werden bekend als de henricianen. In juni 1145 reisde Bernard op uitnodiging van kardinaal Alberic van Ostia door Zuid-Frankrijk. Zijn preken, geholpen door zijn ascetische uiterlijk en eenvoudige kledij, veroordeelden deze nieuwe sekten tot de ondergang. Zowel de henriciaanse als petrobrusiaanse geloofsrichtingen begonnen reeds aan het einde van het jaar 1145 uit te sterven. Kort daarna werd Henri van Lausanne gearresteerd. Zijn zaak werd voor de bisschop van Toulouse gebracht en zeer waarschijnlijk werd Henri tot levenslang veroordeeld. In een brief aan de inwoners van Toulouse uit het einde van 1146, roept Bernard hen op de laatste overblijfselen van de ketterij van Henri te verdelgen. Hij predikte ook tegen de Katharen en ondernam in 1145 een grote missie tegen de kathaarse kerk van Zuid-Frankrijk. Zijn woorden vonden veel minder weerklank bij de bevolking en de politieke beschermers van de kathaarse kerk dan verwacht.

Tweede Kruistocht (1146-49)

In deze tijd kwam er verontrustend nieuws uit het Heilige Land. De christenen waren verslagen in het beleg van Edessa en het grootste deel van dit graafschap was in handen gevallen van de Turkse Seltsjoeken. Het Koninkrijk Jeruzalem en de andere kruisvaardersstaten hing een soortgelijk lot boven het hoofd. Een deputatie van de bisschoppen uit Armenië verzocht dringend om steun van de Paus, en de koning van Frankrijk zond ook ambassadeurs. De paus droeg Bernard op om in zijn preken op te roepen tot een Tweede Kruistocht en stelde dezelfde aflaten in het vooruitzicht die zijn voorganger paus Urbanus II had toegekend aan de deelnemers aan de Eerste Kruistocht.

In het begin was er zeker niet zoveel enthousiasme voor de kruistocht als er in 1095 was geweest. Bernard vond het nuttig om het opnemen van het kruis voor te stellen als een krachtig middel voor absolutie voor gepleegde zonden en het verkrijgen van Gods genade. Op 31 maart, in aanwezigheid van koning Lodewijk, predikte hij voor een enorme menigte in een veld bij Vézelay. Toen Bernard klaar was met zijn spreek, nam de meningte in groten getale het kruis op; het doek om kruisjes te maken raakte al snel op. Bernard zou toen zijn eigen bovenkleding ter beschikking hebben gesteld. In tegenstelling tot de Eerste Kruistocht, trok deze nieuwe onderneming koninklijke deelname aan, zoals Eleonora van Aquitanië, op dat moment koningin van Frankrijk, Diederik van de Elzas, de graaf van Vlaanderen, Hendrik I van Champagne, de toekomstige graaf van Champagne; Lodewijk VII zijn broer Robert I van Dreux; Alfons Jordaan van Toulouse, Willem II van Nevers, Willem van Warenne, 3e graaf van Surrey, Hugo VII van Lusignan; en tal van andere edelen en bisschoppen. Maar het grootste deel van de deelnemers kwam uit het gewone volk. Bernard schreef een paar dagen later aan de paus, “De steden en kastelen zijn nu leeg. Op elke zeven vrouwen is er nog een man, en overal zijn er weduwen van nog levende echtgenotes.” Paus Eugenius kwam in eigen persoon naar Frankrijk om de onderneming te ondersteunen.

Bernard reisde vervolgens naar Duitsland, waar de aan Bernard toegeschreven wonderen zich vermenigvuldigden bij elke stap die hij deed. Dit droeg ongetwijfeld sterk bij aan het welslagen van zijn missie. Koenraad III en zijn neef, keizer Frederik I Barbarossa, ontvingen het kruis uit handen van Bernard. Ook in het bisdom Luik (onder andere in Maastricht, Luik en Hoei) en in het graafschap Henegouwen vonden Bernards preken grote weerklank. Ook hier zouden velen op wonderbaarlijke wijze genezen zijn en voegden zeer velen zich bij de kruisvaarders. De Luikse bisschop Hendrik van Leyen en de Maastrichtse proost Arnold van Wied toonden zich beiden zeer sympathiek tegenover de Cisterciënzer orde.

Net zoals tijdens de Eerste Kruistocht, leidde de prediking van de Tweede Kruistocht (onbedoeld(?)) tot Jodenvervolging en antisemitisme. Sommige antisemitische elementen in de kort na 1150 gebeeldhouwde kapitelen van het koor van de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek in Maastricht zijn door de kunsthistorica Elizabeth den Hartog toegeschreven aan het anti-Joodse intellectuele klimaat dat door de prediking van Bernard van Clairvaux rond het midden van de 12e eeuw was ontstaan. In het Duitse Rijnland was een fanatieke Franse monnik, genaamd Rudolphe, verantwoordelijk voor anti-Joods geweld door zijn bewering dat de Joden financieel niet bijdroegen aan de redding van het Heilige Land. Zowel in Keulen, Mainz, Worms en Speyer werden Joden vermoord en verdreven. De aartsbisschoppen van Keulen en van Mainz waren fel gekant tegen deze aanvallen en vroegen Bernard om het geweld in zijn preken te veroordelen, wat hij inderdaad deed. Toen de aanvallen op de Joden desondanks doorgingen, reisde Bernard vanuit Vlaanderen naar Mainz en legde Rudolphe het zwijgen op.

Hierna keerde Bernard terug naar zijn eigen klooster. De laatste jaren van het leven van Bernard werden verduisterd door het falen van de Tweede Kruistocht, waartoe hij door zijn prediking in belangrijke mate had bijgedragen. De verantwoordelijkheid voor de mislukking werd op zijn bordje gelegd. Hij had de onderneming door zijn vermeende wonderen immers in beweging gezet, maar bij het succes van de onderneming niet gegarandeerd tegen het wangedrag van degenen die eraan deelnamen. Gebrek aan discipline en de overmoed van de Duitse troepen, de intriges van de prins van Antiochië en zijn nicht koningin Eleanor, en ten slotte de blunders van de christelijke edelen, die er niet in slaagden de belegering van Damascus tot een bevredigend einde te brengen, lijken de oorzaken van de ramp te zijn geweest. Bernard vond het zijn plicht om een verontschuldiging aan de paus te sturen en deze verontschuldiging is opgenomen in het tweede deel van zijn “Boek van de overwegingen.” Hij legt erin uit hoe de zonden van de kruisvaarders de oorzaak waren van hun tegenslagen en mislukkingen. Toen zijn oproep voor een nieuwe kruistocht faalde, probeerde hij zich geheel van het fiasco van de Tweede Kruistocht te distantiëren.

Laatste jaren (1149-1153)

De dood van enigen van zijn tijdgenoten confronteerde Bernard met zijn eigen naderende einde. De eerste die stierf was in 1152 Suger, van wie Bernard aan Paus Eugenius III scheef dat, “Als er enige kostbare vaas is die het paleis van de Koning der Koningen kan versieren is het wel de ziel van de eerbiedwaardige Suger”. Koenraad III en zijn zoon Hendrik stierven in hetzelfde jaar. Vanaf het begin van het jaar 1153 voelde ook Bernard zijn dood naderen. Het overlijden van Paus Eugenius was een zware slag voor Bernard, aangezien het hem de persoon ontnam die hij als zijn grootste vriend en trooster zag. Bernard overleed zelf op drieënzestigjarige leeftijd op 20 augustus 1153, na veertig jaar doorgebracht te hebben in het klooster. Hij werd begraven in de Abdij van Clairvaux, maar nadat deze instelling in 1792, tijdens de Franse Revolutie, was ontbonden en vernietigd, werden zijn overblijfselen overgebracht naar de Kathedraal van Troyes.

Mysticus

Bernard ontvangst melk uit de borsten van de Maagd Maria. De scène is een legende die zich naar verluidt zou hebben afgespeeld in de Kathedraal van Speyer in 1146.

Als mysticus en als man van zijn tijd creëerde Bernardus zijn meesterwerk in de commentaren op het Hooglied, waarin hij de basis legde voor de Marialyriek, waar de hoge middeleeuwen zo vervuld van zijn. Als mysticus streeft Bernardus naar een rechtstreeks aanschouwen van de Goddelijke Waarheid dat God Licht is. Voor hem is geen enkel beeld sterk genoeg om de ervaring van de goddelijke weerschijn weer te geven. Alleen in de woestijn van het brandend witte licht, zonder afbeeldingen, zonder kleur (zoals in zijn abdijkerk in Clairvaux), kan de monnik volgens Bernardus in contact komen met God. De rest is afleiding of verleiding. Als man van het woord vroeg Bernardus aandacht voor de rijkdom van het woord (de Bijbel) zelf en, als mysticus, voor het begrip Woord als aanduiding voor God. Voor beelden was hij minder gevoelig, getuige de esthetische vormgeving van zijn Cisterciënzerabdij. Hij werd door Maarten Luther “de Augustinus van de middeleeuwen” genoemd. Dat mensen altijd geneigd zijn door te slaan blijkt wel uit de legende van het ‘melkwonder’ van Bernard van Clairvaux. Hier een afbeelding in een miniatuur van de legende, waarin Maria hem, toen hij eens in gebed was, in een visioen melk uit haar borst liet proeven. Bernard had een bijzondere devotie voor de Maagd Maria. Dit paste in het meer persoonlijk beleefde geloof in tegenstelling tot de rationele benadering van het geloof door geleerde theologen in die tijd.

Soberheid

In zijn Regel stelt Bernardus de soberheid als een vereiste tot leven, en de gestrengheid vindt hij levensnoodzakelijk voor het geestelijk leven. Bernardus wil terugkeren naar de oorspronkelijke zuiverheid van het Benedictijnerideaal van ora et labora, “bid en werk”. Zijn monniken moeten niet alleen in geestelijke grond ploeteren (het ‘Ora’), maar ook de handen uit de mouwen steken en werken op het land (het ‘Labora’). De enige manier waarop men God, door wiens grootheid Bernardus zich verpletterd voelt, kan benaderen is de liefde, waarvoor men langs de twaalf trappen van de nederigheid moet afdalen. Pas dan kan de menselijke ziel, ontdaan van hoogmoed, zichzelf toestaan God te leren kennen. Bernardus vindt zijn inspiratie bij het Hooglied voor de bruidsmetaforen om dit ideaal, de extatische vereniging van de (volgens hem armzalige) menselijke ziel met God, te bezingen. Met het mystiek web van ontelbare beschouwingen dat Bernardus weeft rond het Hooglied, geeft hij de taal van de hoofse liefde een nieuw leven. Hij ziet het ware liefdeslied als de liefdesverklaring tussen de ziel en God. Daarnaast staat bij hem de verering voor Maria centraal.

Dom van Speyer

De dom van Speyer (Kaiser- und Mariendom zu Speyer) is een kathedraal in de Duitse stad Speyer (Spiers). De dom is de grootste kerk in romaanse stijl ter wereld. Samen met de kathedralen van Mainz en Worms maakt hij deel uit van de drie romaanse Kaiserdome langs de Rijn. Paus Pius XI heeft de kerk in 1925 tot basiliek verheven. De dom staat sinds 1981 op de Werelderfgoedlijst van UNESCO.

De bouw begon rond 1030 onder de Salische keizer Koenraad II. In 1061 werd de dom ingewijd door zijn kleinzoon, Hendrik IV. Deze breidde de dom tussen 1082 en 1106 aanzienlijk uit: ook het middenschip werd voorzien van een stenen kruisribgewelf, dat een spanwijdte van 14 meter had, en ook het koor werd geheel vernieuwd. Het wordt sindsdien afgesloten door een apsis met een dwerggalerij en twee torens, een type dat sindsdien in het Rijnland veelvuldig is nagevolgd. De torens hebben een achtkantige spits tussen vier topgevels. Bijzonderheid aan de dom is dat de dwerggalerij rond om het gehele bouwwerk loopt.

De crypte, die geldt als de grootste bewaard gebleven zuilenhal van Europa, behoort tot de oudste bouwfase en herbergt onder meer de graven van de vier Salische keizers. Hij beslaat de ruimte onder het transept en het koor. De overwelving dateert uit de tweede bouwfase.

In de Negenjarige Oorlog (1689) werd de dom geplunderd, waarna een barokke façade de plaats van het verwoeste westwerk innam. In 1794 verwoestten Franse troepen de dom opnieuw, waarna het bisdom in 1801 werd opgeheven en de kerk dreigde te worden gesloopt. Na de val van Napoleon werd het bisdom in 1817 echter hersteld en ook de dom werd in de loop van de 19de eeuw herbouwd, in een neoromaanse stijl die sterk afweek van het origineel. De restauratie van 1957-1961 beoogde de dom weer terug te brengen in zijn oorspronkelijke staat.

Door Kai Scherrer – Eigen werk

Wijnwereld schatplichtig aan Christendom – Het Avondmaal of de Mis

Voor onkerkelijken is het avondmaal vaak maar een raadselachtig gebeuren. Voor christenen is het echter een viering van de kern van het evangelie: het nieuwe verbond met God, in het bloed van Jezus Christus. En ook al gebruiken verschillende groepen christenen verschillende benamingen – eucharistieviering, tafel of maaltijd des Heren, communie – het offer van Jezus staat centraal.

Wordt vervolgd…..

Please follow and like us: