Voor Home klik op het Vino Amore logo! info@vinoamore.nl

Vino Amore

Wijn, Bijbel en grote wijnflessen

Inhoud verberg
1 Wijn, Bijbel en grote wijnflessen

Wijn, Bijbel en grote wijnflessen

Wijn, Bijbel en grote wijnflessen – Magnums en dubbelmagnums

Wijn, Bijbel en grote wijnflessen – Wat is er leuker dan eens iets aparts cadeau te doen? Denk dan eens aan een wat grotere maat wijnfles van Vino Amore! Een wijncadeau XXL van Vino Amore is geweldig om te krijgen! Als het over grotere flesmaten gaat dan zit het ongeveer zó in elkaar. Deze maten zijn echter niet officieel gestandaardiseerd. Variaties komen voor! Het beste kunt u aan Vino Amore vragen naar de exacte inhoud van de fles van uw keuze.

Magnums dubbelmagnums grote wijnflessen

Magnums dubbelmagnums grote wijnflessen – de maten van de wijnflessen

  • Mignonnette (Engels: split). Zeer klein flesje van wisselende vorm en inhoud. Meestal 200 ml (Champagne), soms 187.5 ml (wijn).
  • Fillette 0.375 l = 1/2 fles. Wordt meestal gebruikt in de horeca. 0.35 l voor Val de Loire wijn.
  • Petite bouteille (Flesje). 0.5 l. Wordt gebruikt in de horeca. 0.5 l flessen worden ook gebruikt voor de Hongaarse dessertwijn Tokaj.
  • Clavelin 0.62 l, uitsluitend voor de gele Jura wijnen.
  • Bouteille (fles). 0.75 l. Standaard wijnfles. Engelse maat: 27 fluid ounce.
  • Magnum 1.5 l = 2 flessen.
  • Tappit-hen 2.25 l = 3 flessen (Bordeaux, Port).
  • Marie-jeanne 2.25 l = 3 flessen. Hoofdzakelijk voor Bordeaux. Soms: 3 l = 4 flessen.
  • Double Magnum 3 l = 4 flessen (Bordeaux, Port).
  • Jeroboam Doorgaans 3 l = 4 flessen (Champagne). Soms: 5 l = 6.67 flessen (Champagne, Bourgogne, Port). Een andere bron meent dat tot 1978 de Jeroboam stond voor 3 l = 4 flessen (Bourgogne, Champagne), 4 l = 4 flessen (Port), 4.5 l = 6 flessen (Bordeaux); en sinds 1979 voor alle wijnen: 5 l = 6.67 flessen.
  • Rehoboam (Rehabeam) 4.5 l = 6 flessen (Champagne, Bourgogne).
  • Mathusalem (Engels: Methuselah). 6 l = 8 flessen (Bourgogne, Champagne).
  • Impériale 6 l = 8 flessen (Bordeaux).
  • Salmanazar 9 l = 12 flessen (Champagne).
  • Balthazar 12 l = 16 flessen (Champagne).
  • Nebukadnezar (Engels: Nebuchadnezzar). 15 l = 20 flessen (Champagne).
  • Melchior 18 l = 24 flessen.
  • Souverain 26 l = 34 flessen (Champagne).

Magnums dubbelmagnums grote wijnflessen – Etymologie

Waar komen die eigenaardige namen vandaan? De grote Champagneflessen zijn vernoemd naar Bijbelse figuren.

  • Jeroboam is vernoemd naar Jerobeam, de eerste koning van de tien stammen van Israël (1Kon 11).
  • Rehoboam is vernoemd naar Rehabeam, de zoon van Salomo (1Kon 12).
  • Methusalem is vernoemd naar Methusalem (Methusalach), de grootvader van Noach, de man die 969 jaar oud werd (Gen 5).
  • Salmanazar is vernoemd naar Salmanassar, koning van Assyrië (2Kon 17).
  • Nebukadnezar is vernoemd naar Nebukadnezar, de koning van Babel (2Kon 24).

De hier genoemde Bijbelse namen zijn overeenkomstig de spelling van de Nederlandse Statenvertaling. De wijnflesmaten zijn de Franse interpretaties van deze namen.

Wat is de link met de bijbel en deze grote flessen?

Veel van de flessen zijn vernoemd naar historische Joodse koningen en andere personen die genoemd woorden in de bijbel. De vernoeming kan een eerbetoon aan deze koningen zijn, of juist aan de flessen champagne. Maar wanneer je wat verder zoekt kom je ook andere theorieën tegen. Eén officiële theorie is er tot nu toe nog niet.

Jéroboam (Grondlegger en eerste koning van Israël, 931-910 BC)

De koningen van Juda

De koningen van Juda waren de vorsten die regeerden over het oude koninkrijk Juda. Volgens het bijbelse verslag, werd dit koninkrijk gesticht na de dood van Saul. Na zeven jaar werd David koning van een herenigd koninkrijk Israël. Echter, in ongeveer [930 v.Chr. | 930 v.Chr.]  splitste het Verenigd Koninkrijk zich, waarbij tien van de twaalf stammen van Israël Salomo’s zoon Rehabeam als hun koning verwierpen. De stammen Juda en Benjamin bleven loyaal aan Rehabeam en vormde het koninkrijk Juda opnieuw, terwijl de andere entiteit het Koninkrijk Israël bleef heten,  of gewoon Israël. De hoofdstad van het koninkrijk Juda was Jeruzalem. Alle koningen van Juda leefden en stierven in Juda, behalve Ahazia (die stierf in Megiddo in Israël), Joahaz (die als gevangene stierf in Egypte) en Jechonia en Zedekia die werden gedeporteerd als onderdeel van de Babylonische ballingschap .

Juda werd veroverd in 587 of 586 v.Chr . door het Nieuw-Babylonische rijk onder Nebuzaradan, aanvoerder van de lijfwacht van Nebukadnezar. Met de deportatie van de elite en de vernietiging van Jeruzalem en de Tempel was de ondergang van het koninkrijk Juda compleet.

De Davidische dynastie begon toen de stam Juda David tot koning maakte, na de dood van Saul. De Davidische lijn zette zich voort toen David koning werd van het herenigde koninkrijk Israël. Toen het Verenigd Koninkrijk uiteenviel, bleven de stammen Juda en Benjamin trouw aan de Davidische lijn. Na de ballingschap van Juda werd de Davidische lijn gerespecteerd door de ballingen in Babylon, die de exilarchs als koningen in ballingschap beschouwden. Volgens de Hebreeuwse bijbel werden aanvullende details over de koningen van Juda geschreven door Iddo de ziener en in de kronieken van de koningen van Juda .

Volgens Champagne expert Francois Bonal wordt de naam Jéroboam al gebrukt sinds 1725, ook toen voor een fles waar 3 liter champagne inpaste. Volgens hem wordt aangenomen dat Jéroboam als naam is gekozen omdat er naam hem wordt gerefereerd als een man van grote waarde. Dat gold ook voor de grote flessen champagne.

Jerobeam I was in het land Israël de eerste koning van het rijk der tien stammen. Zijn regering duurde 22 jaren (1 Kon. 14:20), van het jaar 931 tot 910[1] vóór Chr., Hij was de zoon van Nebat, uit de stam Efraïm.

Salomo had hem onder de Israëlieten, die aan de versterking van Jeruzalem moesten arbeiden, als een ijverig en kundig mens spoedig opgemerkt en tot opzichter van het werk verheven. Deze kroondiensten, welke naar het schijnt niet door Juda behoefden bewezen te worden, hinderden vooral de Efraïmieten bovenmate. Daardoor toch waren zij genoodzaakt tot de vermeerdering der macht van vorsten uit de stam Juda mee te werken en zich tot slavenarbeid te lenen. Deze wrok werd ook en in het bijzonder door Jerobeam gevoed, die niets liever wenste, dan het huis van David van de troon vervallen te verklaren en hem zelf te beklimmen. Zijn heimelijke wensen rijpten niet weinig tot een bepaald voornemen door de zinnebeeldige voorspelling van de profeet Ahia. In Egypte. Zijn eerste poging, door hem kennelijk met een oproerig doel ondernomen, mislukte geheel, zodat hij om het leven te redden vluchten moest. Hij begaf zich naar het toevluchtsoord van alle ballingen uit Juda, naar Egypte, welks koning Sisak hem vriendelijk ontving en volgens de overlevering zelfs zijn schoonzuster Ano ten huwelijk gaf. Hier hield hij zich tot na de dood van Salomo op, maar toen keerde hij terug en zag kort daarna zijn eerzuchtige wensen vervuld.

Jerobeams afgoderij

Tot koning van het rijk der tien stammen gekozen, vestigde hij zich te Sichem en versterkte deze stad. Maar weldra vertrok hij naar Pnuël, een sterkte waarschijnlijk aan de mond van de Jabbok in de stam Gad gelegen, tenslotte naar Thirza, een stad in westelijk Manasse. Deze veelvuldige verwisseling van woonplaats geschiedde vermoedelijk met een staatkundig doel. Evenzeer bewoog de staatkunde hem te Dan en te Bethel de gouden kalveren op te richten.

Beeldendienst. Daar hij vreesde, dat zijn onderdanen, indien zij voortdurend naar Jeruzalem trokken om daar op de hoge feesten Jahweh te aanbidden, zich eindelijk weer bij het rijk der twee stammen zouden voegen, stelde hij in Israël de beeldendienst in, en wel om des te beter het beoogde doel te bereiken, in het zuiden en het noorden van het land. Niet dat Jerobeam de dienst van Jahweh wilde afschaffen, daar de beelden, in de nieuwe door hem gebouwde tempels geplaatst, de God van Israël moesten voorstellen, evenwel zondigde hij zwaar tegen de goddelijke geboden, waarmede hij ontegenzeggelijk in openbare strijd handelde.

Geheel willekeurig verklaarde hij voorts alle Israëlieten, uit welken stam ook afkomstig, tot het bekleden van de priesterlijke waardigheid bevoegd en verplaatste de viering van het Loofhuttenfeest van de zevende naar de achtste maand. De ware priesters, de Levieten en alle oprechte vereerders van Jahweh verlieten daarop zijn rijk, en gingen naar Juda. Maar Jerobeam hield vol, te goed overtuigd dat de grote menigte aan zijn zijde was en hem krachtdadig wilde ondersteunen. Te Bethel had daarop de plechtige inwijding van de nieuwe godsverering plaats, terwijl de koning niet aarzelde zelf de priesterlijke bediening waar te nemen. De waarschuwing, welke daar van Godswege door de profeet uit Juda tot hem kwam, maakte evenmin als het wonder, dat toen aan hem geschiedde, enigen indruk op zijn verhard gemoed.
1Kon 13:33 Jerobeam keerde na deze gebeurtenis niet terug van zijn kwade weg, maar stelde opnieuw uit alle geledingen van het volk priesters aan voor de offerhoogten. Wie maar wilde, wijdde hij en die werd dan een van de priesters van de hoogten. 1Kon 13:34 En het werd door deze zaak tot zonde voor het huis van Jerobeam, waardoor het uitgeroeid en van de aardbodem weggevaagd zou worden. (HSV)
Ook de dood van zijn godvruchtige zoon Abia en de aankondiging van Ahia mochten niet baten. Vast besloten ging de vorst op zijn weg voort en oogstte dan ook zowel voor zich als later voor zijn geslacht de bittere vruchten van zijn afval en zijn trouweloosheid in. Ofschoon Semaja de oorlog tussen de broederrijken aan Rehabeam verboden had, hadden evenwel tussen hem en Jerobeam voortdurend vijandelijkheden plaats, maar eerst onder Abia brak de oorlog met kracht uit. De uitslag was noodlottig voor Jerobeam. Zijn leger werd verslagen en Bethel, Jesana en Efron met hun onderhorige plaatsen werden hem ontnomen. Ook later was hij in elke strijd de overwonnene. Verder wordt ons niets meer van hem bericht, dan dat God hem sloeg, zodat hij stierf. 2Kr 13:20 En Jerobeam behield geen kracht meer in de dagen van Abia; maar de HEERE sloeg hem, dat hij stierf. (SV) Wel wordt hij door enige goede eigenschappen gekenmerkt en is het bepaald niet te ontkennen, dat hij met vaste hand de teugels van het bewind heeft gevoerd, maar groot zijn ook zijn gebreken geweest. Zijn zonde werd de erfzonde van alle zijn opvolgers, en het verderf van Israël is in de eerste plaats aan hem toe te schrijven. Het goddelijk strafgericht over zijn huis werd door Baësa voltrokken.

Réhoboam – Rehabeam (Koning van Judah, 922-908 BC)

Rehabeam was de zoon van koning Salomo. Rehabeam (= ‘het volk heeft zich ruimte gemaakt’) was koning na de dood van zijn vader Salomo. Na zijn troonsbestijging scheurde het rijk in twee delen en bleef hij koning van Juda en Benjamin. Hij regeerde in de 2e helft van de 10e eeuw vóór, van ongeveer 931-914. Zijn leven is in de Heilige Schrift beschreven in 1 Koningen 12, 14 en 2 Kronieken 10-11. Afkomst, hij was een zoon van Salomo en daarmee een kleinzoon van David. Zijn moeder was Naäma, een Ammonietische vrouw (1 Kon. 14:21; 2 Kron. 12:13). Hij was de enige zoon die zij Salomo schonk.

Een en veertig jaar oud, volgde Rehabeam zijn vader Salomo als koning op (1 Kon. 14:21; 2 Kron. 12:13). Volgens zijn zoon en opvolger Abia was Rehabeam toen “jong en week van hart”, 2 Kron. 13:7. Nauwelijks had Rehabeam het bewind aanvaard, of de noordelijke stammen, te Sichem vergaderd, verzochten verlichting van de zware lasten, door zijn vader hun opgelegd. Misleid door zijn jeugdige raadslieden, wier advies onwijzer was dan dat van de oudsten, wilde Rehabeam van geen schikking, geen toegeven horen en verwierp het verzoek. Daarop had de scheiding van het rijk in twee delen plaats, welke scheiding reeds onder invloed van Jerobeam was voorbereid. Slechts een klein deel, het zuidelijke, bleef het huis van David getrouw.

De profeet Semaja bewerkte, dat de jeugdige vorst, die te laat zijn onvoorzichtigheid betreurde en vruchteloos zijn dienaar Adoram zond om te onderhandelen, althans niet naar de wapens greep ten einde de afgevallen stammen weer onder zijn bewind te brengen. Maar onderlinge naijver deed beide broedervolken elkaar later dikwijls bestrijden.

De eerste jaren van zijn regering bracht hij daarop rustig en in vrede door. Hij besteedde die tijd aan het versterken van onderscheidene steden en aan de bevordering van de bloei van zijn rijk. Zo loffelijk dit streven was, zo afkeurenswaardig is de begunstiging door hem aan de afgoderij verleend. Zelf was hij het volk tot een slecht voorbeeld. Hij had 78 vrouwen en bijwijven. 2Kr 12:14 Hij deed wat kwaad is, want hij had er zijn hart niet op gezet de HERE te zoeken. (NBG51) Rechtmatig was de straf die hem wegens zijn verkeerd gedrag werd opgelegd. In het vijfde jaar van zijn troonsbestijging viel de Egyptische koning Sisak, wellicht op aansporen van Jerobeam, in Juda en veroverde en plunderde Jeruzalem.

Méthusalem (Bijbelse heerser, werd volgens de bijbel bijna 1.000 jaar oud)

De Méthusalem, dechampagnefles met een inhoud van 6 liter is vernoemd naar een heerser die in de bijbel genoemd wordt en waarvan gezegd wordt dat hij bijna 1.000 jaar geleefd heeft. Dit kan een verwijzing zijn naar het potentieel dat zo een grote fles heeft om te rijpen.

Méthusalem

Metusalem, Matusalem, Metusalach of Metuselach (Hebreeuws: מתושלח, Metoeshelach, “speerwerper” of “dood van het zwaard” werd volgens de Hebreeuwse Bijbel 969 jaar oud en was een voorvader van Noach en daarmee van alle na hem levende mensen. Het Nederlandse gezegde “Zo oud als Metusalem” is een verwijzing naar deze Metusalem. Daarmee bedoelt men iemand die heel oud is.

Hebreeuwse Bijbel

Metusalem was de zoon van Henoch, die Metusalem op zijn 65e verwekte en werd “weggenomen” toen hij 365 jaar was. Metusalem was op zijn beurt de vader van Lamech, die hij op zijn 187e kreeg. Lamech werd volgens dezelfde traditie 777 jaar oud. Volgens de Septuagint, de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel, werd Metusalem ‘slechts’ 782 jaar oud, waarmee Adam met 930 jaar de oudste zou zijn. Volgens de Tenach zijn die 782 jaren echter Metusalems levensjaren na de geboorte van zijn zoon Lamech, waarmee men de volgende generatie van de mensheid zou hebben willen aanduiden. De laatste is een typisch Joodse manier van tellen.

Joodse literatuur

In het pseudepigrafische boek 1 Henoch wordt vermeld dat na het “wegnemen” van Henoch er, gevoed door zijn leringen, een priesterlijke offercultus ontstond in de plaats Achuzan (een vroege aanduiding van de Tempelberg in het latere Jeruzalem). Metusalem en zijn neef Nir waren hiervan de eerste vertegenwoordigers. Volgens 2 Henoch was Nir de tweede zoon van Lamech en jongere broer van Noach. Hij volgde zijn grootvader Metusalem op als priester en werd daarmee de tweede priester van JHWH. Volgens de Midrasj – geciteerd door Peirush HaRokeach, Sifsei Kohen en anderen – had Metusalem een zwaard met daarin gegraveerd de onuitsprekelijke naam van God. Met dit zwaard doodde hij in een klap 98.000 demonen. Toen hij stierf werd zijn zwaard met hem begraven, al zijn er ook tradities, zoals die van Imrei Noam en Zera Beirech, die vertellen dat dit zwaard uiteindelijk in bezit kwam van Abraham.

Koran

Volgens de Koran was Metusalem de zoon van de profeet Idris.

Ouderdom

In het boek Genesis legt de Bijbel routinematig menselijke levens vast die schandalig anders lijken dan onze huidige ervaring. Adam leefde tot 930 jaar; Noach nog langer, tot 950 jaar (zie onderstaande grafiek). Deze lange levensduur is niet willekeurig verdeeld; ze zijn systematisch groter vóór de zondvloed van Noach en nemen daarna sterk af. Deze grote tijdperken worden in de Bijbel niet voorgesteld alsof ze op de een of andere manier buitengewoon zijn voor hun tijd, laat staan ​​wonderbaarlijk.

 

Veel mensen spotten snel op zulke leeftijden en beweren dat ze ‘biologisch onmogelijk’ zijn. Tegenwoordig zullen mensen, zelfs als ze alle dodelijke ziekten vermijden, over het algemeen van ouderdom sterven voordat ze ver over de 100 zijn. Zelfs de zeer uitzonderlijke gevallen halen de 120 jaar niet veel. Een blik op het bewijs met betrekking tot veroudering suggereert echter dat de schijnbare bovengrens van de huidige gemiddelde levensduur niet iets is dat als zodanig ‘biologisch onvermijdelijk’ is voor mensen of andere meercellige wezens.

Ziekte, voeding, ‘slijtage’ en andere omgevingsfactoren spelen ongetwijfeld een rol in hoe lang we leven. Nu blijkt echter dat aan al deze factoren ten grondslag ligt die op de een of andere manier in onze genetische code zijn geschreven en die bepalen wat onze ‘bovengrens’ is. Dit is niet echt verrassend; de meesten van ons kennen families waarin bijna iedereen een hoge leeftijd bereikt – en het tegenovergestelde natuurlijk.

En hoewel er in elke soort een gemiddelde ‘bovengrens’ lijkt te zijn ‘geprogrammeerd’, hebben kweekexperimenten aangetoond dat deze limiet kan worden gewijzigd, zelfs drastisch. Experimenten met fruitvliegen en wormen hebben aangetoond dat extra levensduur in en uit deze populaties kan worden gekweekt. Je kunt dus twee populaties van dezelfde vlieg hebben, waarbij de ene groep gemiddeld vele malen langer leeft dan de andere. Zelfs een genetische ‘switch’ die betrokken is bij een lang leven is geïdentificeerd bij één soort worm.

Hoe komt het dat meercellige wezens (zoals mensen) uiteindelijk allemaal verslijten en sterven? Het is niet voldoende om simpelweg te zeggen dat er natuurkundige wetten zijn die dicteren dat alle vaste structuren uiteindelijk zullen verslijten. Dit is waar, maar biologische machines hebben ingebouwde ‘intelligentie’ (geprogrammeerd in het DNA) waardoor het in staat is zichzelf te herstellen.

Waarom blijven deze cellen het orgaan niet voor altijd delen, repareren en vernieuwen? Dat is de reden waarom eencellige wezens zoals bacteriën niet van ouderdom sterven – ze splitsen zich gewoon in twee nieuwe exemplaren, die zich elk in nog tweeën splitsen, enzovoort. Wezens zoals wij hebben organen (bijv. lever, nieren enzovoort) die uit veel individuele cellen bestaan. Waarom blijven deze cellen het orgaan niet voor altijd delen, repareren en vernieuwen? Als dit zou gebeuren, met versleten cellen vervangen door nieuw vervaardigde, dan zou geen van uw ‘onderdelen’ verslijten. Wat natuurlijk betekent datje zou nooit verslijten. Je zou kunnen worden gedood door een vallende boom, of sterven aan een infectie, maar je zou nooit van ouderdom sterven.

Dit is natuurlijk niet zo. Onze individuele organen verslijten. De cellen erin kunnen zich een tijdje vermenigvuldigen, maar niet voor altijd. Na een bepaald aantal keren stoppen ze gewoon met delen. Het is bekend dat gewone menselijke cellen zich slechts 80-90 keer delen en daarna niet meer.

Het lijkt erop dat er op de uiteinden van elk van onze chromosomen een structuur is die een telomeer wordt genoemd. Zie het als een telapparaat, met een aantal kralen aan het uiteinde. Elke keer dat de cel zich deelt, is het alsof er een kraal wordt afgeknipt, waardoor de telomeer korter wordt. Als alle bolletjes verdwenen zijn, kan er geen celdeling meer plaatsvinden. Vanaf dat moment, aangezien elke cel ‘opraakt’, wordt deze niet vervangen door nieuwe. Dus zelfs als je een dodelijk ongeval of ziekte vermijdt, zul je uiteindelijk bezwijken voor het falen van een of meer organen.

De machinerie waarmee cellen zich delen, wordt bestuurd door de instructies die op het DNA zijn geschreven, de genetische code. Het lijkt er dus op dat een voorgeprogrammeerde genetische limiet, hoewel niet alles wat er is aan veroudering, een groot deel van het verhaal zou kunnen zijn. Kortom, er is geen biologische reden bekend waarom een ​​levensduur van 900 jaar of meer onmogelijk zou zijn als die genetische grens op een ander punt zou worden gesteld.

En er is reden om aan te nemen dat er inderdaad grote variatie zou kunnen zijn in deze genetische ‘bovengrens’. We hebben al gezien dat het eenvoudigweg herschikken van genfrequenties door middel van kweekselectie bij fruitvliegen hun levensduur drastisch kan verlengen.

De echte vraag wordt dan niet: ‘Hoe kunnen ze zo lang leven?’, maar eerder: ‘Waarom leven we niet meer zo lang?’

Hoe verhoudt levensduur zich?

Als we de dood door ongeval of ziekte negeren, lijken verschillende levende wezens genetisch geprogrammeerd te zijn om gedurende verschillende gemiddelde perioden te leven. Het bewijs stapelt zich op dat dergelijke programma’s niet volledig vastliggen – selectief fokken bij sommige wezens heeft de gemiddelde levensduur drastisch verlengd.

Noah’s nieuwe omgeving

Kijkend naar de daling van de levensduur na de zondvloed, is het normaal om te denken dat dit verband moet houden met de wereld die zo drastisch is veranderd. Bewijs uit het fossielenarchief suggereert dat het kooldioxidegehalte (ook mogelijk zuurstof) hoger was in de wereld vóór de zondvloed. Velen hebben gesuggereerd dat een atmosferisch bladerdak van waterdamp de wereld van vóór de zondvloed beschermde tegen kosmische straling. Maar of dit nu zo is of niet, er is (nog) weinig bewijs dat veroudering substantieel wordt beïnvloed door een van deze factoren.

Het idee dat het milieu na de zondvloed zoveel ‘giftiger’ werd dat het onze levensduur met bijna acht eeuwen zou verkorten, tot een negende van wat het was, struikelt op een belangrijk punt. Noach was al meer dan 600 jaar oud toen hij uit de ark stapte. Maar deze zogenaamd veel vijandiger omgeving zorgde er niet voor dat hij binnen enkele decennia snel verdorde en stierf. In plaats daarvan leefde hij nog 350 jaar, en overtrof zelfs de leeftijd van zijn voorvader Adam.

We weten niet of omgevingsfactoren misschien pas problemen veroorzaken in de ontwikkelingsfase van het menselijk leven. Een simpele verklaring waarom Noah nog zo lang leefde, is dat Noahs genetische samenstelling hem het potentieel gaf om zo lang te leven. En dat misschien de meeste, zo niet alle, mensen vóór de zondvloed waren geprogrammeerd voor een veel langere levensduur dan waarvoor we nu zijn geprogrammeerd. Anderzijds, een waterdampgewelf zou veel kosmische straling absorberen waardoor ons DNA niet snel zou degenereren door schadelijke mutaties.

Dus wat gebeurde er? Bedenk dat de hele bevolking tot slechts een handvol is gekrompen. Er zijn bekende manieren waarop vormen van genen (bekend als allelen), die elke codering voor een langere levensduur kunnen bevatten, kunnen worden geëlimineerd uit een populatie die zo’n ‘knelpunt’ heeft doorgemaakt – tot acht personen.

Als dergelijk genetisch verlies de reden was voor de afname van de levensduur, is dit misschien niet de enige. Schadelijke mutaties die zich sneller ophopen, kunnen een rol hebben gespeeld. Sommige van deze mutaties hebben bijvoorbeeld geleid tot een verlies van de lengte van de telomeer. Na de zondvloed was de verscheidenheid aan planten die beschikbaar waren voor voedsel drastisch verminderd, misschien een reden waarom God de mens op dat moment toestond vlees te eten. Zelfs de meest fervente liefhebber van gezond eten zou echter niet suggereren dat we, door simpelweg ons dieet te veranderen, vandaag 950 jaar zouden kunnen leven. Misschien zijn enkele van deze andere factoren de reden voor de voortdurende achteruitgang, die eeuwenlang aanhoudt. Isaac werd 180 jaar, Mozes 120, koning David slechts 71 jaar. Interessant is dat we tegenwoordig een toename van de levensduur zien als gevolg van omgevingsfactoren. Echter, na de zondeval stierf Adam onmiddellijk geestelijk en begon op dezelfde dag fysiek te sterven, net zoals we vandaag allemaal sterven.

Onlangs hebben laboratoriumresultaten op basis van een enzym 3 dat betrokken is bij de replicatie van de telomeer, voor veel opwinding gezorgd. Gemodificeerde menselijke cellijnen zijn vele malen over hun limiet verdeeld. Sommigen speculeren dat dergelijke manipulaties ertoe kunnen leiden dat mensen veel langer oud worden, op voorwaarde dat ze in de tussentijd niet bezwijken aan ziekte of ongeluk. Veroudering is zeker veel complexer dan deze vereenvoudigde discussies, gebaseerd op voorlopige bevindingen, ons zouden doen denken. Het bewijs tot nu toe suggereert echter sterk dat genetica een belangrijke rol speelt.

Salmanazar (koning van Syrië, 858-824 BC)

De Assyrische koning Salmanasser III (858-824 v.Chr.) bezette Babylon en maakte de bondgenoten van Aram-Damascus (waaronder Israël) tot vazalstaten. De politiek van zijn vader Assurnasirpal II werd met kracht door hem voortgezet. De tegenstand was echter aanzienlijk, zowel van Urartu als van de Perzen en de Meden. Ook overschreed hij 25 keer de Eufraat om de Arameeërs het hoofd te bieden. Wanneer dezen er echter in slaagden om een coalitie tot stand te brengen, werden de Assyriërs meestentijds teruggeslagen, zoals in 853 v.Chr. tijdens de Slag bij Qarqar. Damascus was meestal het hoofd van deze Aramese liga’s, waarbij ook Israël zich aansloot. Damascus werd nooit ingenomen, en de laatste vier jaar van zijn regering had de koning te kampen met de opstand van een van zijn zonen. Hij voltooide wel de bouw van Nimrud, waaraan hij een reusachtig complex toevoegde, dat dienstdeed als magazijn, kazerne en ministerie van oorlog.

In 836 v.Chr. ondernam Salmanasser een verre veldtocht naar Tabal (in wat later Cappadocië zou heten en nu Midden-Turkije is). Hij verkreeg er de onderwerping van 24 plaatselijke vorsten. Hij kwam via Melid en trok over de berg Timur. Daarna viel hij de steden van Tuatti van Tabal aan in het gebied van Kululu-Sultanhan-Kültepe. Zelfs de zoon van Tuatti, Kikki onderwierp zich aan hem. Vervolgens trok hij naar het zuiden. Hij bezocht zowel de berg Tunni (de zilverberg) als de berg Muli (de albastberg) in het Bolkargebergte. De annalen breken af op dit punt, maar hij zal daarna wel via de Cilicische poort naar Que getrokken zijn en vandaar naar huis. Salmanasser III bemoeide zich ook met de politiek van Babylonië en hielp Marduk-zaki-shumi I de troon te bestijgen na een strijd tegen diens broers. Na zijn dood begon echter het rijk de grip over Babylon te verliezen.

Balthazar (Heerser van Babylon, 539 BC)

Belsazar was regent van Babel ten tijde van de profeet Daniël (Dan. 5: 1, 2; 7: 1). Zijn regeringsjaren waren van 553 – 539 v.Chr. Hij richtte een grote feestmaaltijd aan, waarbij hij uit de heilige bekers van de tempel van God liet drinken. Daarop kondigde God zijn ondergang aan door een geheimzinnig schrift aan de muur, dat Daniel hem echter verklaarde. In diezelfde nacht werd Belsazar gedood.

Belsazar en het schrift aan de muur

De naam Belsazar is Aramees en wordt zeven maal in de Bijbel vermeld, in het boek Daniël. In het Babylonisch is de naam bēl-šar-uṣur en betekent ‘Bel bescherme de koning, of naar het Perzisch ‘opperhoofd, vorst van Bel. Bel is de naam van een afgod. In het Engels luidt zijn naam Belshazzar. De naam Belsazar moet niet verward worden met ‘Beltsazar’, die naam die Daniël kreeg van koning Nebukadnezar.

Belsazar was de eerstgeboren zoon van Nabonidus en een machtige Babylonische edelman. Zijn vader behoorde tot de priesterlijke partij.

  • 562 v.C.: In dit jaar sterft Nebukadnezar. Hij heeft Babylonië ruim 40 jaar geregeerd, van 605 tot 562. Zijn zoon Amel-Marduk, in de Bijbel Evil-Merodach genoemd, volgt hem op;
  • 560: Amel-Marduk (Evil-Merodach) wordt vermoord;
  • 559: Neriglissar, de zwager van Amel-Marduk, neemt diens plaats in. Hij regeert slechts korte tijd, tot 556 v.C.;
  • 556: Nerglissars zoon Labaši-Marduk volgt zijn vader op, maar dan doet Belsazar met verscheidene officieren een greep naar de macht en maakt de oude geleerde Nabonidus, de vader van Belsazar, in 556 v.C. tot koning. Nabonidus was koning van 556–539 v.C., de laatste der Nieuw-Babylonische koningen;
  • 555: Nabonidus gaat op campagne naar Cilicia;
  • 553: In het derde jaar van zijn regering vertrouwt Nabonidus het koningschap aan Belsazar toe en gaat op campagne naar Cilicia en Edom.

Belsazar oefent het koningschap uit en wordt in de Bijbel dan ook als ‘koning’ aangemerkt. Nabonidus wordt in de Bijbel niet genoemd. Belsazar is waarschijnlijk mederegent, de tweede heerser in het rijk (vgl. Dan. 5:16), waarschijnlijk van 553–539 v.C. Nabonidus schijnt zo’n tien jaar afwezig te zijn geweest (555-545 v.C.). Hij is de officiële koning, maar zijn zoon Belsazar de feitelijke koning. Een Babylonisch document vermeldt dat Belsazar in de tempels van Sippar „een offerande van de koning” bracht, bestaande uit schapen en runderen.

In het eerste jaar van het koninkrijk van Belsazar ontvangt Daniel een droomgezicht van vier dieren (Dan. 7:1).

  • 550: In het derde jaar van de regering van koning Belzazar ontvangt Daniel een droomgezicht van een ram en een geitenbok (Dan. 8:1);
  • 549: Van 549 tot 545 verblijft Nabonidus in de stad Teima op het Arabisch schiereiland;
  • 542: In 542 en ca. 540 houdt hij zich bezig met het herstel van heiligdommen;
  • 539: Enkele maanden voor de val van Babel in 539 keert Nabonidus terug in Babylon.

Terwijl Babel belegerd is door de Perzen en de Meden, geeft Belsazar in de stad een groot feest voor duizend van zijn machthebbers. Hij laat de bekers gebruiken die zijn vader Nebukadnezar uit de tempel van Jeruzalem had geroofd.

Plotseling verschijnt er een hand die een tekst in een onbekend schrift op de muur schrijft. Koning Belsazar schrikt vreselijk en vraagt aan de wijzen van Babel het schrift te verklaren, maar geen van hen kan dat. Daarop haalt men Daniël, die de tekst uitlegt. Het is een waarschuwing van God vanwege Belsazars heiligschennis. De woorden luiden: Mené Mené Tekèl Ufarsin, dat wil zeggen ‘Geteld geteld gewogen gebroken’. Daniël verklaart deze woorden als volgt:

  • Mene: God heeft uw koningschap geteld en er een einde aan gemaakt;
  • Tekel: Gij zijt in de weegschaal gewogen en te licht bevonden;
  • Peres (een verbogen vorm van Upharsin, met een woordspeling met Pers): ‘Uw koninkrijk is gebroken en aan de Meden en Perzen gegeven’.

Daniël wordt hierop benoemd tot de derde heerser in het rijk. Da 5:29 Toen beval Belsazar dat zij Daniël in purper moesten kleden, met een gouden keten om zijn hals, en dat zij van hem moesten uitroepen dat hij als derde in het koninkrijk zou heersen. Da 5:30 In diezelfde nacht werd Belsazar, de koning van de Chaldeeën, gedood. (HSV) Waarschijnlijk werd Daniël de derde na de officiële koning Nabonides en de feitelijke koning Belsazar. Volgens anderen werd Daniël een van de drie rijksbestuurders van het land. Na de intocht van Cyrus de Pers in Babylon wordt Nabonidus gevangen genomen. Elf dagen na deze intocht sterft Belsazars moeder. Ze wordt door nationaal rouwbetoon geëerd.

Nebukadnezar (koning van Babylon, 605-562 BC)

Nebukadnezar, ook bekend als Nebukadnezar II, was de beroemdste koning van het Babylonische rijk (605-562 v.C.). Deze grote koning van Babel nam Jeruzalem in en voerde Juda gevankelijk weg. Zijn naam betekent “moge Nebo de kroon beschermen”. Hij wordt ook genoemd Nabukodonosor. Zijn naam wordt ook gespeld Nebukadrezar, Nebukadressar, Nebukadnessar; de spelling die het Hebreeuws het best benadert is Nebukadressar of Nebukadressor. Nebukadnezar was de zoon van Nabopolassar, die het Assyrische rijk veroverde. Het tienstammenrijk van Israël was eerder in de Assyrische ballingschap weggevoerd.

Het Babylonische rijk was het eerste van de vier grote heidense rijken waarmee Israël in ‘de tijd der volken’ te maken kreeg. Nebukadnezar trad op als de generaal van zijn vader en versloeg de Egyptische farao Necho te Karkemish in ca. 605 v.C. Juda werd rond 606 v.C. schatplichtig aan Babel. Een aantal Israëlieten (onder wie Daniël) en heilige tempelvaten werden meegevoerd naar Babel (2 Kron. 36:5-7; Dan. 1:1-4.) Dit heet ‘de eerste ballingschap’ van Juda. Drie jaar later kwam Juda in opstand en Nebukadnezar belegerde Jeruzalem. In 599 v.C. werden de koning van Juda en vele gevangenen, met de schatten van de tempel, meegenomen naar Babylon: dit heet ‘de grote ballingschap.’

In 588 v.C. belegerde Nebukadnezar opnieuw Jeruzalem, verbrandde de tempel en vernietigde de stad.

In 573 nam hij ook de stad Tyrus in, na een beleg van dertien jaar, “waarvoor hij geen loon had, noch zijn leger” (de inwoners ontkwamen met hun rijkdom via de zee), maar God beloonde hem met de buit van Egypte, dat hij veroverde (2 Kon. 24-25, 36; 2 Kron. ; Ezech. 29:18-20). De meer persoonlijke geschiedenis van Nebukadnezar is door Daniël opgetekend. Nebukadnezar had hem en enige medegevangenen gekozen voor eervolle staatsambten.

In zijn tweede regeringsjaar (603 v.C.) had Nebukadnezar een merkwaardige droom van het Grote Beeld. In de uitlegging werd bekend dat hij door God was uitverkoren als de eerste koning van een geheel nieuw tijdperk, de tijd van de volken. Het huis van David was voordien apart gezet als Gods heerser op aarde; in Nebukadnezar kregen de heidenvolken het hoogste gezag. Daniel kon daarom tegen Nebukadnezar zeggen: “Gij, o koning, zijt een koning der koningen, want de God van de hemel heeft u een koninkrijk, macht, en sterkte, en heerlijkheid gegeven … gij zijt dat gouden hoofd”

Nebukadnezar was een heiden, maar hij had nu geleerd dat hij zijn koninkrijk gekregen had van de God des hemels en voor Hem verantwoordelijk was. Bij het oprichten van een gouden beeld, waarvoor iedereen moest buigen, loochende hij echter de God van de hemel, en het hoofd van de heidense macht werd afgodisch. De drie vrienden van Daniël weigerden het door Nebukadnezar opgerichte beeld te aanbidden en werden daarom in een vurige oven geworpen. Tot zijn verbazing zag Nebukadnezar een vierde man in de oven, iemand als een zoon van God. Hij riep de drie uit de oven en sprak hen aan als ‘dienaren van de allerhoogste God’. Hij loofde hun God, en beval dat niemand slecht van die God mocht spreken. Het wonder van de bewaring in de oven had echter geen praktische zedelijke uitwerking op de koning.

Nebukadnezar had een andere droom, die hem liet zien dat God hem om zijn hoogmoed zou vernederen. Daniel raadde hem aan te breken met zijn zonden ​​door gerechtigheid te doen, en met zijn ongerechtigheden door barmhartigheden aan de armen te bewijzen. Twaalf maanden werden hem gegeven voor berouw, maar aan het eind van die tijd zei hij in zijn trots: “Is dit niet het grote Babel, dat ik voor het huis van het koninkrijk gebouwd heb door de macht van mijn kracht, en voor de eer van mijn majesteit?” Daarop verklaarde een stem uit de hemel dat het koningschap van hem geweken was. Een monument van Nebukadnezar zegt:” Ik heb de verdediging van Babylon volledig sterk gemaakt, moge zij tot in eeuwigheid bestaan … de stad die ik heb verheerlijkt tot in eeuwigheid,”.

Nebukadnezar werd een idioot en at gras als een rund. In deze toestand bleef hij zeven jaar (‘zeven tijden’, vgl. de tijd, tijden en een halve tijd, dat is drie en een half jaar in Dan. 12:7). Daarna kwam zijn verstand terug, en werd zijn koningschap hersteld. Hij nu zei, “Ik, Nebukadnezar, loof en verhoog en eer koning van de hemel, alle wiens werken zijn waarheid, en zijn wegen oordeel, en die in hoogmoed wandelen is Hij in staat te vernederen” (Dan. 2-4). Zo had Nebukadnezar geleerd om de God te eren die hem tot het gouden hoofd (in het Statenbeeld) had gemaakt. Er is bewijs dat veel steden werden gebouwd tijdens zijn regeerperiode. Zijn naam wordt gevonden op de stenen in de ruïnes van de steden. Evil-merodach, zijn zoon, volgde hem op in 561 vóór Christus.

Salomo

Salomo (Hebreeuws: שלמה – Sjelomo/Shlomo), de zoon van David en Bathseba, was een koning van Israël in de 10e eeuw vóór Christus. Hij was de meest wijze en heerlijke koning in de geschiedenis van Israël, in menig opzicht een voorafbeelding van Christus. De naam Salomo betekent “vrede-rijk” vgl. Frederik. God had David laten weten:
1Kr 22:9 Zie, een zoon zal u geboren worden; díe zal een man van rust zijn, want Ik zal hem rust geven van al zijn vijanden van rondom. Ja, Salomo zal zijn naam zijn, want Ik zal in zijn dagen vrede en stilte over Israël geven. (HSV) Na zijn geboorte kreeg hij van God de bijnaam Jedidja, “geliefde van de HEERE”. 2Sa 12:24 Daarna troostte David zijn huisvrouw Bathseba, en ging tot haar in, en lag bij haar; en zij baarde een zoon, wiens naam zij noemde Salomo; en de HEERE had hem lief, 2Sa 12:25 En zond heen door de hand van den profeet Nathan, en noemde zijn naam Jedid-jah, om des HEEREN wil. (SV)

Over zijn opvoeding schrijft Salomo:

Spr 4:3 Want toen ik nog als zoon bij mijn vader was, teder en een enig kind voor het aangezicht van mijn moeder, Spr 4:4 onderwees hij mij en zeide tot mij: Laat uw hart mijn woorden vasthouden onderhoud mijn geboden, opdat gij moogt leven. Hij regeerde van ongeveer 971 – 930 v.Chr. Vredevorst. God noemde hem “een man der rust”. Kenmerkend van zijn heerschappij was de rust en vrede in Israël. 1Kr 22:9 Zie, de zoon, die u geboren zal worden, die zal een man der rust zijn, want Ik zal hem rust geven van al zijn vijanden rondom henen; want zijn naam zal Salomo zijn, en Ik zal vrede en stilte over Israël geven in zijn dagen. (SV) Hij heerste over een groot gebied. Zijn gebied is het grootste dat een koning van Israël of Juda ooit gehad heeft. 2Kr 9:26 Hij heerste over al de koningen, van de Rivier af tot aan het land der Filistijnen en de grens van Egypte. (NBG51) 1Kon 4:21 En Salomo was heersende over al de koninkrijken, van de rivier [tot] het land der Filistijnen, en tot aan de landpale van Egypte; die brachten geschenken, en dienden Salomo al de dagen zijns levens. (SV)

Salomo en het volk wijden Gods huis te Jeruzalem in (1 Kon. 8:63).In het vierde jaar van de regering van Salomo, d.i. in het jaar 480 na de uittocht van de kinderen van Israël uit Egypte, begon de tempelbouw (1 Kon. 6:1), die door David was voorbereid. Salomo heeft er zeven jaar aan gebouwd (1 Kon. 6:38). Nadat de ark van het verbond in het Heilige der heiligen was geplaatst, werd de tempel ingewijd met offers en gebed. Na voltooiing van de tempelbouw, terwijl de arbeid tot de aanleg van de buitenste voorhof voortgaat, liet Salomo in het tijdsverloop van de volgende dertien jaar voor zichzelf een prachtig paleis bouwen op de noordoostzijde van de heuvel Sion, dat uit meerdere afzonderlijke gebouwen en zalen bestond; zij volgden van voren naar achteren of van het oosten naar het westen in deze orde op elkaar:

Zijn heerlijkheid. De heerlijkheid van Davids zoon vertoonde zich in zijn maaltijden, de kleding van zijn knechten, zijn opgaan naar het huis van God (2 Kron. 9:4), zijn troon (2 Kron. 9:17v), de gouden drinkvaten (2 Kron. 9:20). Hij had 4.000 paardenstallen, en wagens, en 12.000 ruiters (2 Kron. 9:25). De koningin van het Zuiden, Scheba, stond versteld ook over Salomo’s heerlijkheid (2 Kron. 9:4). Hij was “groter dan alle koningen der aarde in rijkdom en wijsheid” (2 Kron. 9:22). 2Kr 9:8 Geloofd zij de HEERE, uw God, Die behagen in u heeft gehad, door u als koning voor de HEERE, uw God, op Zijn troon te zetten! Omdat uw God Israël liefheeft, om het voor eeuwig te doen standhouden, daarom heeft Hij u als koning over hen aangesteld, om recht en gerechtigheid te doen. (HSV) David zoon had een prachtige troon, “voor geen enkel koninkrijk ooit gemaakt” (2 Kron 9:19). Opmerkenswaard zijn de dieren bij Salomo’s troon: 14 beelden van leeuwen, waarvan 2 aan zijn hand, bij de leuningen van de troon, en 12 op de treden van de troon. Ook maakte de koning een grote ivoren troon en overtrok die met zuiver goud. 2Kr 9:18 Deze troon had zes treden en er was een voetbank van goud aan de troon bevestigd; en aan beide zijden naar de zitplaats toe zaten leuningen, en bij die leuningen stonden twee leeuwen. 2Kr 9:19 Er stonden daar dus twaalf leeuwen op de zes treden, aan beide zijden. Zoiets werd er voor geen enkel koninkrijk ooit gemaakt. (HSV) De twaalf leeuwen op de treden naar de troon zijn staan waarschijnlijk voor de 12 stammen van Israël staan. Van deze stam was Juda, voorgesteld door een leeuw, de leidende stam. Bij de Sinaï komt de stam Juda aan het hoofd van het leger voor, zij gaan aan de spits, Num. 2 : 3-9. Salomo was uit de stam van Juda.

Voorvader Jacob zei van zijn zoon Juda:
Ge 49:9 Juda is een leeuwenwelp; van je prooi ben je opgestaan, mijn zoon. Hij heeft zich gekromd, zich als een leeuw neergelegd, als een leeuwin; wie zal hem doen opstaan? (HSV)

De koningin van het Zuiden bracht grote geschenken:
2Kr 9:9 Zij gaf de koning honderdtwintig talent goud en specerijen in zeer grote hoeveelheid, en edelstenen. Zoals deze soort specerij die de koningin van Scheba aan koning Salomo gaf, is er nooit geweest. (HSV) 2Kr 9:14 …, en de inkomsten aan goud en zilver voor Salomo van alle koningen van Arabië en van de landvoogden van het land. (HSV) 1Kon 4:21 En Salomo was heersende over al de koninkrijken, van de rivier [tot] het land der Filistijnen, en tot aan de landpale van Egypte; die brachten geschenken, en dienden Salomo al de dagen zijns levens. (SV) 2Kr 9:23 En alle koningen der aarde zochten Salomo’s aangezicht, om zijn wijsheid te horen, die God in zijn hart gegeven had. 2Kr 9:24 En zij brachten een ieder zijn geschenk, zilveren vaten, en gouden vaten, en klederen, harnas, en specerijen, paarden, en muilezelen, van elk van jaar tot jaar. (SV)

David zei in een gedicht dat hij opdroeg aan zijn zoon en opvolger Salomo:
Ps 72:10 De koningen van Tharsis en de eilanden zullen geschenken aanbrengen; de koningen van Scheba en Seba zullen vereringen toevoeren. Ps 72:11 Ja, alle koningen zullen zich voor hem nederbuigen, alle heidenen zullen hem dienen. (…) Ps 72:15 En hij zal leven; en men zal hem geven van het goud van Scheba, en men zal geduriglijk voor hem bidden; den gansen dag zal men hem zegenen. (SV)

Wijsheid en godsdienst
Wijsheid. God schonk Salomo een “wijs en verstandig hart” (1 Kon. 3:12). Dit maakte van hem een uniek mens in de geschiedenis. De wijsheid Salomo was tot in het buitenland bekend. 2Kr 9:22 Zo werd koning Salomo, wat rijkdom en wijsheid betrof, aanzienlijker dan alle koningen van de aarde. 2Kr 9:23 En alle koningen van de aarde zochten Salomo op, om zijn wijsheid te horen, die God hem in zijn hart had gegeven. (HSV) Uit zijn antwoorden en raadgevingen aan de koningin van Sjeba bleek haar Salomo’s grote wijsheid (2 Kron. 9:3). 2Kr 9:6 …. Zie, nog niet de helft van uw grote wijsheid was mij verteld. U hebt het gerucht dat ik gehoord had, overtroffen. 2Kr 9:7 Gelukkig zijn uw mannen, en gelukkig deze dienaren van u, die voortdurend in uw dienst staan en uw wijsheid horen! (HSV)

Hij bouwde de eerste tempel van God in Jeruzalem. Salomo had helaas veel uitheemse vrouwen lief. Hij had 700 vrouwen en 300 bijvrouwen, uit verschillende volken (1 Kon. 11:1)

  • de dochter van farao;
  • Moabitische vrouwen;
  • Ammonitische vrouwen;
  • Edomitische vrouwen;
  • Sidonische vrouwen, uit de Fenicische stad Sidon;
  • Hethitische vrouwen;
  • Deze vrouwen waren het die “zijn hart deden afwijken, achter andere goden aan” (1 Kon. 11:3).

Van deze afgoden worden genoemd:

  • Astoreth, de god van de Sidoniërs;
  • Milkom. de god van de Ammonieten;
  • Kamos, de god van de Moabieten;
  • Molech, de god van de Ammonieten.

1Kon 11:1 En de koning Salomo had veel vreemde vrouwen lief, en dat benevens de dochter van Farao: Moabietische, Ammonietische, Edomietische, Sidonische, Hethietische; 1Kon 11:2 Van die volken, waarvan de HEERE gezegd had tot de kinderen Israëls: Gijlieden zult tot hen niet ingaan, en zij zullen tot u niet inkomen; zij zouden zekerlijk uw hart achter hun goden neigen; aan deze hing Salomo met liefde. 1Kon 11:3 En hij had zevenhonderd vrouwen, vorstinnen, en driehonderd bijwijven en zijn vrouwen neigden zijn hart. 1Kon 11:4 Want het geschiedde in den tijd van Salomo’s ouderdom, [dat] zijn vrouwen zijn hart achter andere goden neigden; dat zijn hart niet volkomen was met den HEERE, zijn God, gelijk het hart van zijn vader David. 1Kon 11:5 Want Salomo wandelde Astoreth, den god der Sidoniërs, na, en Milchom, het verfoeisel der Ammonieten. 1Kon 11:6 Alzo deed Salomo, dat kwaad was in de ogen des HEEREN; en volhardde niet den HEERE te volgen, gelijk zijn vader David. 1Kon 11:7 Toen bouwde Salomo een hoogte voor Kamos, het verfoeisel der Moabieten, op den berg, die voor Jeruzalem is, en voor Molech, het verfoeisel der kinderen Ammons. 1Kon 11:8 En alzo deed hij voor al zijn vreemde vrouwen, die haar goden rookten en offerden. (SV)

De straf, door God op deze afgoderij aangekondigd, was de scheuring van het rijk Israël (1 Kon. 11:9v). In de dagen van Nehemia (5e eeuw v. Chr.) waren er “Joden die Asdoditische, Ammonitische en Moabitische vrouwen bij zich hadden doen wonen. Hun kinderen spraken voor de helft Asdoditisch, en ze konden geen Judees spreken, maar spraken overeenkomstig de taal van elk volk.” (Neh. 13:23-24, HSV) Nehemia werd toornig over dit kwaad en herinnerde de Joden aan de zonden van Salomo:

Ne 13:26 Is het niet met betrekking tot deze dingen dat Salomo, de koning van Israël, gezondigd heeft? Terwijl er onder veel heidenvolken geen koning was zoals hij, en hij zijn God lief was en God hem tot koning gesteld had over heel Israël? Ook hem deden de uitheemse vrouwen zondigen. Ne 13:27 Zullen wij dan naar u luisteren door al dit grote kwaad te doen door onze God ontrouw te zijn door uitheemse vrouwen bij u te doen wonen? (HSV)

Opvolging en scheuring van zijn rijk
Hij werd opgevolgd door zijn zoon Rehabeam, zoon van de Ammonietische Naäma. 1Kon 11:9 Daarom vertoornde Zich de HEERE tegen Salomo, omdat hij zijn hart geneigd had van den HEERE, den God Israëls, Die hem tweemaal verschenen was. 1Kon 11:10 En hem van deze zaak geboden had, dat hij andere goden niet zou nawandelen; doch hij hield niet, wat de HEERE geboden had. 1Kon 11:11 Daarom zeide de HEERE tot Salomo: Dewijl dit bij u geschied is, dat gij niet hebt gehouden Mijn verbond en Mijn inzettingen, die Ik u geboden heb; Ik zal gewisselijk dit koninkrijk van u scheuren, en datzelve uw knecht geven. 1Kon 11:12 In uw dagen nochtans zal Ik dat niet doen, om uws vaders Davids wil, van de hand uws zoons zal Ik het scheuren. 1Kon 11:13 Doch Ik zal het gehele koninkrijk niet afscheuren; een stam zal Ik uw zoon geven, om Mijns knechts Davids wil, en om Jeruzalems wil, dat Ik verkoren heb. (SV)

Melchizedek

Slechts drie verzen over zijn geschiedenis zijn in het Oude Testament aan hem gewijd (Gen. 14:18-20). En zo snel als hij opkomt, verdwijnt hij ook weer van het toneel. Toch wordt er later uitgebreid over Melchizedek geschreven. De Hebreeënschrijver wijdt maar liefst drie hoofdstukken aan hem en ook in Psalm 110 vinden we hem terug.

Deze studie is onderverdeeld in:
1. De geschiedenis van Melchizedek (Genesis 14);

2. Het (Hoge)priesterschap van Melchizedek (Hebreeën 5-8);

3. Het Koning-Priesterschap van Melchizedek (Psalm 110).

De Geschiedenis van Mechizedek (Genesis 14)

Context

Abram en Melchizedek ontmoeten elkaar op het moment dat neef Lot ontvoerd is. Voor een goed beeld van de situatie is het belangrijk om eerst even naar de context te kijken. In het voorgaande hoofdstuk (Gen. 13) lezen we hoe Abram en Lot zich van elkaar afscheiden, omdat hun bezit aan vee voor het gebied te groot was geworden. Als Abram zijn neef de gelegenheid geeft om als eerste een gebied voor zichzelf te kiezen, laat Lot zich dat geen twee keer zeggen. Hij kiest voor de prachtige Jordaanvlakte en slaat zijn tenten op bij de goddeloze stad Sodom. Dat dit geen goede keuze is geweest, blijkt onder andere uit de geschiedenis van Genesis 14. Wat gebeurt er?

Onrust

Er ontstaat grote onrust in Kanaän. Twaalf jaar lang hebben de koningen van Sodom, Gomorra, Adma, Sboïm en Bela de machthebber Kedor-Laomer gediend. Maar dan komen ze in opstand, waarna in het veertiende jaar de strijd losbreekt. Kedor-laomer komt ook in actie en trekt met vier koningen naar Kanaän om de opstandelingen te onderwerpen (zie kaartje). Waarschijnlijk hebben ze dezelfde route gevolgd als Abram toen hij uit Ur vertrok (Gen. 11:31). U vraagt zich misschien af waarom ze met een omweg naar Kanaän gaan en niet rechtstreeks. Via deze route langs rivieren en steden, vermijden ze de riskante weg dwars door de hete woestijn.

Amrafel

In het eerste vers vinden we de namen van de vier koningen die zich achter Kedor-Laomer scharen. De naam van de eerste koning is Amrafel. Hij is koning van het gebied Sinear, wat ten zuiden lag van het Tweestromenland, ook wel bekend als Mesopotamië, tussen de rivieren de Eufraat en de Tigris. Dit gebied komen we later tegen onder de naam Babel (vgl. Gen. 10:1011:2; Dan. 1:2). Amrafel betekent ‘één die van duistere dingen spreekt’. Zijn naam komt overeen met de vele duistere godsdiensten en cultussen die uit Babel zijn voortgekomen. Babel wordt niet voor niets ‘een woonplaats van demonen en een schuilplaats van allerlei onreine geesten’ genoemd (Openb. 18:2).

Kedor-Laomer als type

De naam Kedor-Laomer betekent ‘(een) hand vol schoven’. De betekenis doet ons denken aan de droom van Jozef over de schoven die voor hem bogen (Gen. 37:7). Kedor-Laomer wilde dat iedereen in de toenmalige wereld voor hem boog. Hij is een type van de ‘mens van de wetteloosheid, de zoon van het verderf’ of wel satan zelf, die in menselijke gedaante op het wereldtoneel zal verschijnen (2 Thess. 2:3-4). We komen hem ook tegen in Openbaring 13:1-10, het eerste beest uit de zee dat jaagt naar de wereldheerschappij (vgl. Dan. 7:20-25; 8:22-23; 11:21).

De veldtocht

De vier koningen die zich achter Kedor-Laomer hebben geschaard, verslaan onder andere de Refaïeten in Asterot-Karnaïm en gaan vanaf die plaats naar het zuiden, waar zij hun kamp opslaan ten oosten van de Jordaan (zie de plaatsen op het kaartje). In eerste instantie laten ze Sodom en de andere steden liggen en trekken nog verder naar het zuiden. Eerst naar het bergland Seïr en vandaar waarschijnlijk naar het meest zuidelijke puntje, het huidige Eilat (vs. 6). Vervolgens trekken ze naar het westen, En-Mispat (in vs. 7 aangeduid als Kades) en vandaar naar Chasason-Tamar. Het is begrijpelijk dat de inwoners van Sodom, Gomorra, Adama, Seboïm en Soar zich bedreigd voelen. Wat moeten ze doen? Ze wachten niet af totdat ze belegerd worden, maar bundelen hun krachten. Samen vormen ze een leger en kiezen een voor hen gunstig slagveld uit. Beide partijen treffen elkaar in het Siddimdal (vs. 8). De strijd eindigt in het voordeel van Kedor-Laomer, die alle bezittingen en voedsel van de vluchtelingen meeneemt, waaronder ook Lot en zijn bezittingen (vs. 12 en 16). De koning van Sodom en de koning van Gomorra weten te ontkomen, maar vallen in een asfaltput (vs. 10). De anderen vluchten naar de bergen. We weten dat de koning van Sodom het overleeft, want in vers 17 treffen we hem namelijk weer.

Abram komt in actie

De strijd gaat in eerste instantie aan Abram voorbij. Hij woont namelijk zo’n 40 kilometer ten westen van Sodom, in de plaats Mamre. Iemand weet uit het oorlogsgebied te ontkomen, vlucht naar Abram (vs. 13) en vertelt hem dat zijn neef Lot is meegenomen. Daarop komt Abram meteen in actie. Ondanks Lots gebrek aan respect door aan zijn oudere oom niet de landkeuze te laten (Gen. 13:8-12), schiet Abram zijn neef direct te hulp. Ligt hierin ook niet een les voor ons? Hoe vaak maken wij niet mee dat een broeder of zuster in de valstrik van de boze terechtkomt? Wat doen we dan? Komen we net als Abram direct in actie of bekijken we het vanaf een afstandje en/of leveren we alleen maar commentaar? Paulus schrijft in Galaten 6:1: “Broeders, ook als iemand onverhoeds tot enige overtreding komt, moet u die geestelijk bent, zo iemand weer terechtbrengen, in een geest van zachtmoedigheid. Houd intussen uzelf in het oog, opdat ook u niet in verzoeking komt”. Denk ook aan de herder die zijn 99 schapen verliet om dat ene afgedwaalde schaap weer terug te brengen bij de kudde (Matt. 18:12).

Onderwezen mannen

De slaven die in het huis van Abram geboren zijn, worden bewapend. In totaal 318 man, een Gideonsbende zou je kunnen zeggen. In vers 14 staat dat het om ‘geoefende mannen’ gaat. De Statenvertaling gebruikt het woord ‘onderwezenen’. Bij ‘geoefende’ denk je aan getrainde mannen die klaar staan voor de strijd. Het woord ‘onderwezenen’ gaat verder. Ze waren ongetwijfeld door Abram getraind voor de strijd, maar óók door hem onderwezen in de weg van de HEERE. Dit blijkt ook uit Genesis 18:19: “Want Ik heb hem (Abram) uitgekozen, opdat hij aan zijn kinderen en zijn huis na hem bevel zou geven om de weg van de HEERE in acht te nemen, door gerechtigheid en recht te doen, opdat de HEERE over Abraham zal brengen wat Hij over hem gesproken heeft”. Deze getrainde mannen zijn zich ervan bewust dat ze de strijd tegen deze koningen niet kunnen winnen, tenzij de Heere met hen meegaat. Het volk Israël moet dit later ook leren. Denk in dit verband aan Mozes’ woorden bij de Schelfzee toen er menselijk gesproken geen uitweg meer was: “Weest niet bevreesd, houd stand … De HEERE zal voor u strijden, en ú moet stil zijn” (Exod. 14:13-14). En dat geldt in geestelijke zin ook voor ons. Wij hebben een strijd te voeren “tegen de geestelijke machten van het kwaad in de hemelse gewesten” (Ef. 6:12). Als wij onze positie in Christus niet innemen, en ons niet bekleden met Gods geestelijke wapenrusting, is het een verloren strijd.

Grote overwinning

Abram achtervolgt Kedor-Laomer en bereikt de vijand in de buurt van Dan (vs. 14). Waarschijnlijk ging het om een tocht van een aantal dagen. Dan lag meer dan 160 kilometer ten noorden van Abrams woonplaats Mamre. Abram verdeelt zijn mannen in drie groepen, zoals ook later Gideon zou doen (Richt. 7:16) en valt hen van verschillende kanten aan. Abram verslaat Kedor-Laomer en de andere koningen en achtervolgt ze tot aan Hoba, ten westen van Damascus (vs. 15). Opnieuw legt Abram een flinke afstand van zo’n 80 kilometer af.

Overwinningsroes

Als Abram terugkeert van de strijd, trekt de koning van Sodom hem tegemoet (vs. 17). Wat is hij van plan? Uit vers 21 blijkt dat hij Abram alle bezittingen uit deze goddeloze steden aanbiedt. In één klap zou Abram schatrijk kunnen zijn. Wat aantrekkelijk! We moeten bedenken dat Abram en zijn mannen een ongelooflijk grote overwinning hadden behaald. En wat gebeurt er vaak als je in een overwinningsroes bent? Je gaat op jezelf zien. Abram kon zich gemakkelijk tot het middelpunt van alle eer maken en zich de hele buit toe-eigenen. Naar wereldse principes zou hij daar het volste recht toe hebben. Maar nog voordat Abram de koning van Sodom ontmoet, en met rijkdom en aanzien verleid kan worden, gebeurt er iets bijzonders.

Melchizedek

Vanuit het niets verschijnt er een bijzondere persoon, genaamd Melchizedek. Zijn naam betekent ‘koning van gerechtigheid’. Het bijzondere is dat Melchizedek twee ambten vervult, hij is koning én priester. Iets wat later onder de wet onmogelijk was, maar daarover later meer. Melchizedek komt Abram tegemoet om hem te zegenen en te versterken na de zware strijd. Deze ontmoeting doet denken aan de woorden uit 2 Kronieken 16:9: “Want de ogen van de HEERE trekken over de hele aarde, om Zich sterk te bewijzen aan hen van wie het hart volkomen is met Hem”.

God is Abrams Schild en Loon

Het eerste wat Melchizedek tegen Abram zegt: “Gezegend zij Abram door God, de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit! En geloofd zij God, de Allerhoogste, Die overgeleverd heeft uw tegenstanders in uw hand!” (vs. 19b, 20). Melchizedek vestigt Abrams aandacht op God, de Allerhoogste. Hij bepaalt Abram bij het feit dat niet hij, maar de Heere voor hem de overwinning heeft behaald. Abram wil vervolgens geen “draad tot schoenriem” van de zondige koning van Sodom aannemen: “ja, niets van alles wat van u is, zal ik nemen, zodat u niet kunt zeggen: Ik heb Abram rijk gemaakt” (vs. 23).  In tegenstelling tot een eerdere ontmoeting met Farao, van wie hij wel veel bezittingen heeft aangenomen  (Gen. 12:14-20), weerstaat Abram nu de rijkdom van deze goddeloze koning. Zijn geestelijke ogen worden verder geopend en hij leert twee belangrijke lessen die we vinden in Genesis 15:1: “Na deze dingen kwam het woord van de HEERE tot Abram in een visioen: Wees niet bevreesd, Abram, Ik ben voor u een schild, uw loon zeer groot”.

De HEERE, Abrahams Schild

De HEERE geeft Abram geen schild, maar is Abrams schild. Hij is het die Abram beschermt tegen de vijand en overwinning geeft. Dit zijn ook belangrijke lessen voor ons. Als het gaat om de geestelijke strijd in ons leven (aanvallen van de duivel), dan moeten we niet zelf de strijd aangaan; dat loopt op niets uit. Pas als we de geestelijke wapenrusting Gods aantrekken, mogen we weten dat, net als bij Abram, de overwinning reeds behaald is. We moeten leren standhouden op het territorium waar de Heere ons reeds de overwinning gegeven heeft. God is voor ons een schild! En als God voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn?

De HEERE, Abrams loon

Abram had naar wereldse maatstaven vele malen rijker kunnen worden, maar hij kwam volledig los te staan van hetgeen de wereld (de koning van Sodom) hem te bieden had. Hij was zich bewust van het vergankelijke en het tijdelijke van aardse rijkdommen. Dit geldt ook voor ons. Het hemelse loon (de geestelijke zegeningen) reikt vele malen verder dan alle aardse rijkdommen en bezittingen. Paulus schrijft in 2 Korinthe 4:18: “Wij houden onze ogen immers niet gericht op de dingen die men ziet, maar op de dingen die men niet ziet; want de dingen die men ziet, zijn van het ogenblik, maar de dingen die men niet ziet, zijn eeuwig”. Of zoals Asaf schrijft: “Wie heb ik behalve U in de hemel? Naast U vind ik nergens vreugde in op de aarde” (Ps. 73:25).

Wanneer we deze twee aspecten toepassen op ons persoonlijk geestelijk leven, dan overstijgt dat alles. Want het is de Heere Die voor ons strijdt en het is de Heere Die in alles voor ons zorgt. Hijzelf is ons Loon. Dan zijn we niet meer gericht op aardse zaken, maar leven we als rijk gezegende hemelburgers op aarde. Paulus schrijft aan de Filippenzen: “Maar mijn God zal u, overeenkomstig Zijn rijkdom, voorzien van alles wat u nodig hebt, in heerlijkheid, door Christus Jezus” (4:19).

Brood en Wijn

Melchizedek komt Abraham tegemoet met brood en wijn. Dit betekent niet alleen dat Abram versterkt wordt na de zware strijd. Brood en wijn wijzen ook op het sluiten van een verbond. Abram komt onder de zegen van God te staan, zoals die door Melchizedek wordt doorgegeven en Abram geeft hem van alles een tiende deel. Brood en wijn bepalen ons tevens bij het Nieuwe Verbond in Jezus’ bloed. Denk aan de Pesachmaaltijd voor Zijn lijden en sterven, toen Hij zei: “Deze drinkbeker is het nieuwe verbond in Mijn bloed, dat voor u vergoten wordt” (Luk. 22:20). Het tijdelijke paaslam maakte plaats voor het volmaakte en eeuwige Lam van God.

De toekomst

Een verbond heeft altijd twee partijen nodig die beiden akkoord moeten gaan met de gestelde voorwaarden. Wat verdrietig dat Israël als volk tot op de dag van vandaag het verbond in Christus’ bloed nog niet heeft aanvaard. De basis is reeds gelegd met Zijn dood en opstanding. Alles is gereed; het is alleen nog wachten op het moment dat het gelovig overblijfsel de Naam van de HEERE zal aanroepen (Zach. 13:9).  Ezechiël 20:27-44 beschrijft hoe na Christus’ wederkomst het volk Israël, zoals in de tijd van Mozes, in de woestijn van de volken gebracht zal worden om daar, zo lezen we, “van aangezicht tot aangezicht een rechtszaak met u te voeren. Zoals Ik met uw vaderen in de woestijn van het land Egypte een rechtszaak gevoerd heb, zo zal Ik een rechtszaak met u voeren, spreekt de Heere HEERE. Ik zal u onder de herdersstok doen doorgaan en u brengen in de band van het verbond. Ik zal van u uitzuiveren wie in opstand komen en wie tegen Mij overtreden. Ik zal hen leiden uit het land waar zij vreemdeling zijn, maar zij zullen op het grondgebied van Israël niet komen. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben” (vs. 36-38). Jeremia schrijft over dit Nieuwe Verbond: “Voorzeker, dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël sluiten zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zíj zullen Mij tot een volk zijn. Dan zullen zij niet meer eenieder zijn naaste en eenieder zijn broeder onderwijzen door te zeggen: Ken de HEERE, want zij zullen Mij allen kennen, vanaf hun kleinste tot hun grootste toe, spreekt de HEERE. Want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en aan hun zonde niet meer denken” (Jer. 31:33-34).

Het (Hoge)priesterschap (Hebreeën 5-8)

Melchizedek, een moeilijk onderwerp?

In het Nieuwe Testament komen we Melchizedek uitsluitend tegen in de Hebreeënbrief. Als de schrijver het onderwerp inleidt, valt het op dat hij stopt en schrijft: “Over hem (Melchizedek) hebben wij veel dingen te zeggen, die moeilijk zijn om uit te leggen, omdat u traag geworden bent in het horen. Want hoewel u, gelet op de tijd, leraars zou moeten zijn, hebt u weer iemand nodig die u onderwijst in de grondbeginselen van de woorden van God. U bent geworden als mensen die melk nodig hebben en niet vast voedsel. Ieder immers die van melk leeft, is onervaren in het woord van de gerechtigheid, want hij is een kind. Maar voor de volwassenen is er het vaste voedsel, voor hen die hun zintuigen door het gebruik ervan geoefend hebben om te kunnen onderscheiden tussen goed en kwaad” (Hebr. 5:11-15). De apostel wilde graag een aantal lagen dieper graven, maar realiseert zich dat zijn lezers ‘traag in het horen zijn geworden’. Daarom herinnert hij hen eraan hoe belangrijk het is hun (geestelijke) zintuigen te oefenen. Wees niet traag in het horen, maar ontwikkel dat juist! Dit betekent overigens niet dat je theologie gestudeerd moet hebben om de diepere lagen van Gods Woord te ontdekken. Psalm 119:130 leert: “Het opengaan van Uw woorden geeft licht, het schenkt eenvoudigen inzicht”. Het is Gods Geest Die leidt en onderwijst. Tegelijk kost dit leerproces tijd. De Bijbel verklaart zichzelf en doet ons geleidelijk groeien van ‘melk naar vast voedsel’. Geen 5-stappenplan, dat we even moeten toepassen, maar een leerproces. En wat levert het op? Vers 15: je leert goed van kwaad onderscheiden door de dingen steeds scherper vanuit Gods Woord te zien. Een studie over Melchizedek valt dan ook niet onder ‘melk’, maar onder ‘vaste voedsel’. Het is belangrijk om de tijd te nemen en Bijbelgedeelten als het ware te herkauwen.

Christus superieur

De Hebreeënbrief onthult allereest Christus’ superioriteit. Dit begint al in het eerste hoofdstuk: de Heere Jezus, “Die zoveel meer is geworden dan de engelen”. Hij is de Zoon van God, door Wie en tot Wie God alle dingen geschapen heeft. De engelen zijn slechts geschapen dienstknechten. Christus is ook “zoveel meer heerlijkheid waard geacht dan Mozes” (3:3). We moeten bedenken dat de Hebreeënbrief in de eerste plaats geschreven is aan Joodse gelovigen. Binnen het Jodendom heeft Mozes een zeer voorname positie. Toch staat de Heere Jezus boven Mozes. Mozes sprak over de Profeet die komen zou en waar heel Israël naar moest luisteren (Deut. 18:15). De Heere Jezus is de beloofde Profeet. Mozes blijft dan ook niet meer dan een dienstknecht van de Heere.

Christus is ook de meerdere van Jozua (Hebr. 4). Jozua mocht het volk het beloofde land binnenbrengen, maar de Heere Jezus Christus brengt het volk straks de eeuwige rust binnen. “Want als Jozua hen al in de rust gebracht had, zou God daarna niet gesproken hebben over een andere dag. Er blijft dus nog een sabbatsrust over voor het volk van God, want wie Zijn rust binnengegaan is, die heeft zelf ook van zijn werken gerust, zoals God van de Zijne” (Hebr. 4:8-10).

Christus boven Aäron

Christus is ook superieur aan de hogepriester Aäron (Hebr. 5). En daarmee wordt de eerste verwijzing naar Melchizedek gelegd. Christus staat als Hogepriester boven Aäron, omdat Hij van een veel hogere orde is. Om dit vanuit het Oude Testament te onderbouwen, citeert de Hebreeënschrijver Psalm 2 en 110. Beide Psalmen zijn Messiaans en getuigen van Christus als de Zoon van God. “Zo heeft ook Christus Zichzelf niet de eer gegeven om Hogepriester te worden, maar Hij Die tot Hem heeft gesproken: U bent Mijn Zoon, heden heb Ik U verwekt. Zoals Hij ook op een andere plaats zegt: U bent Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek” (vs. 5, 6).

De ordening van Melchizedek

Christus’ Priesterschap valt onder “de ordening (regeling) van Melchizedek” (vs. 6). Wat betekent dit? Enerzijds wijst het op het koning-priesterschap, waarop ik zo nog terugkom. Let u echter ook op de voorgaande woorden “Priester in eeuwigheid”. Onder Israël was het priesterschap altijd tijdelijk. Je begon als priester op je dertigste en stopte op je vijftigste (Num. 4:3)1. Ook het hogepriesterschap van Aäron was tijdelijk en ging over van vader op zoon. Het priesterschap van Melchizedek was daarentegen onveranderlijk. Het gaat om een eenmalig en uniek priesterschap. Hetzelfde geldt voor Christus’ priesterschap. “Maar Hij, omdat Hij blijft tot in eeuwigheid, heeft een Priesterschap dat niet op anderen overgaat” (Hebr. 7:24; Hebr. 6:20). Zijn unieke priesterschap kent geen voorganger, noch een opvolger. Voor eens en altijd heeft Hij het volmaakte Offer voor de mensheid bij de Vader aangeboden en blijft Hoge(priester) tot in eeuwigheid.

Bevestigd door een eed

Christus’ hogepriesterschap is ook bevestigd door een eed. Dit betekent dat het nooit meer herroepen of ongedaan gemaakt kan worden. David voorzag dit al in Psalm 110:4: “De HEERE heeft gezworen en Hij zal er geen berouw van hebben: U bent Priester voor eeuwig, naar de ordening van Melchizedek”. De Hebreeënschrijver benadrukt vervolgens de eedzwering in Hebreeën 7:20-22, 28: “En in zoverre Hij geen Priester is geworden zonder het zweren van een eed – want zij zijn wel zonder het zweren van een eed priester geworden, maar Hij is het geworden met het zweren van een eed door God, Die tegen Hem gezegd heeft: De Heere heeft gezworen en het zal Hem niet berouwen: U bent Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek – in zoverre is Jezus Borg geworden van een zoveel beter verbond. … Want de wet stelt mensen, die met zwakheid behept zijn, aan als hogepriester. Maar het woord van de eed die na de wet gezworen is, stelt de Zoon aan, Die tot in eeuwigheid volmaakt is”.

Het bijzondere is dat God Zijn beloften aan Abraham (Gen. 22:16-18) en David (Ps. 89:4, 5, 35-37) ook met een eed bevestigd heeft. En dat maakt de beginwoorden van het Nieuwe Testament nog meer bijzonder: “Het geslachtsregister van Jezus Christus, de Zoon van David, de Zoon van Abraham” (Matt. 1:1). God houdt vast aan Zijn beloften die Hij onder ede gezworen heeft. Beide beloften vinden hun vervulling in de Koning-Priester Jezus Christus.

Melchizedek Christus?

Is Melchizedek Dezelfde als Christus, zoals we Hem bijvoorbeeld tegenkomen bij Abraham als de Engel van de HEERE (Gen. 16:7-1321:17-2022:15-18)? Hier wordt heel verschillend over gedacht. Ik geloof persoonlijk dat hij een type is van de Heere Jezus Christus, maar niet Christus Zelf. In Hebreeën 7:15 lezen we: “En dit wordt nog veel duidelijker, als er naar het evenbeeld van Melchizedek een andere Priester opstaat” (Hebr. 7:15). Het Griekse woord voor ‘andere’ is heteros. Het Grieks kent twee woorden, voor het begrip ‘anders’:

1. ‘Allos’ wat betekent een ander maar van hetzelfde type.

2. ‘Heteros’ betekent een ander van een verschillend type.

Melchizedek is wel het evenbeeld van de Heere Jezus Christus, maar hij is van een ander type. Hij is wel priester, maar niet priester zoals Christus, Die als de Zoon van God van een veel hogere (Goddelijke) orde is. In Hebreeën 7:3 lezen we over Melchizekdek ‘en, aan de Zoon van God gelijkgemaakt, blijft hij in eeuwigheid priester’. Het Griekse woord dat hier voor ‘gelijkgemaakt’ wordt gebruikt, is ‘aphomoio’o’ wat betekent ‘heel sterk lijken op’. Melchizedek ‘lijkt op’ Christus (hij beeldt Hem uit) maar hij is niet ‘gelijk aan’ Hem.

Koning-priesterschap

Het meest kenmerkende van Melchizedek is dat hij zowel koning als priester was. Op het moment van de ontmoeting tussen Melchizedek en Abraham had God nog niet het priesterschap als onderdeel van de Mozaïsche Wetgeving aan Israël geopenbaard. Dat gebeurde pas honderden jaren later. Melchizedek stond dus niet onder de wet. De Heere Jezus daarentegen wel: “geboren uit een vrouw, geboren onder de wet” (Gal. 4:4). Onder de Mozaïsche wet was het niet mogelijk om het koning-priesterschap te vervullen. Iemand met een priesterlijke functie kwam namelijk uit de stam Levi (Num. 3:5-51), terwijl het koningschap was voorbehouden aan de stam Juda. Denk in dit verband ook aan koning Uzzia die zich bemoeide met het priesterschap en door de Heere werd geslagen met melaatsheid (2 Kron. 26:16). De Hebreeënschrijver constateert dit ‘probleem’ ook: “Want Hij van Wie deze dingen gezegd worden, behoort tot een andere stam, waarvan niemand zich ooit tot de altaardienst begeven heeft. Het is immers overduidelijk dat onze Heere van Juda afstamt, over welke stam Mozes niets gezegd heeft in verband met het priesterschap” (Hebr. 7:13, 14). Voordat we verder ingaan op Christus’ Koning-Priesterschap, eerst nog wat over het belang van het geslachtsregister.

Geen geslachtregister

Het hebben van een geslachtsregister was in Israël heel belangrijk en zeker als priester. Met je geslachtsregister kon je aantonen dat je uit de stam van Levi kwam en dienst mocht doen in de tempel. Was je dit kwijt, dan werd je niet toegelaten. De tempel van de Heere zou dan ontheiligd worden. Toen Israël uit de Babylonische Ballingschap kwam en de tempel herbouwde, was dit een groot probleem. Veel priesters waren hun geslachtsregister kwijt en mochten niet dienstdoen. “En dit waren degenen die optrokken uit Tel Melah, Tel Harsa, Cherub, Addan en Immer, maar die niet konden vertellen wie hun familie en wat hun afkomst was, of zij van Israël waren… Dezen zochten naar hun inschrijving onder hen die in het geslachtsregister waren ingeschreven, maar zij werden niet gevonden; daarom werden zij als onrein van het priesterschap geweerd” (Ezra 2:59-62; zie ook Neh. 7:61-65).

Boek van geslachtsregisters

Het bijzondere is dat er van Melchizedek geen geslachtsregister in de Bijbel te vinden is. “Zonder vader, zonder moeder, zonder stamboom kent hij geen begin van dagen en ook geen levenseinde, maar aan de Zoon van God gelijkgemaakt, blijft hij in eeuwigheid priester” (Hebr. 7:3). Dat Melchizedek geen geslachtsregister heeft, is opmerkelijk, omdat het Bijbelboek Genesis vol staat met geslachtsregisters. Voortdurend lezen we: “Dit zijn de afstammelingen van …”. Ongetwijfeld zal Melchizedek er een gehad hebben. De Heere heeft daar kennelijk een bedoeling mee …

Hoe Hogepriester geworden?

Zoals Melchizedek geen geslachtsregister had, zo had de Heere Jezus in feite ook geen geslachtsregister. Tenminste, als het gaat om Zijn hogepriesterschap beschikte Hij niet over het juiste geslachtsregister. Hij kwam immers uit de koninklijke stam Juda (Matt. 1:1-2). Wettelijk gezien kon Hij dus wel koning maar geen hogepriester worden. De vraag blijft: Hoe kan de Heere Jezus Christus dan toch aanspraak op het hogepriesterschap maken? Het antwoord ligt in Zijn dood en opstanding. Voor het kruis beschikte de Heere Jezus niet over het juiste geslachtsregister. Hij werd Hogepriester na Zijn opstanding uit de dood, in de nieuwheid van Zijn Leven. Vanaf dat moment stond Hij niet langer onder Mozes’ wettelijke voorschriften. Hij had immers de Wet vervuld (Rom. 10:4). Of zoals Paulus het met betrekking tot de wet in Romeinen 7:2 verklaart: “Want de gehuwde vrouw is door de wet gebonden aan de man zolang hij leeft. Als de man echter gestorven is, is zij ontslagen van de wet die haar aan de man bond”. Met als gevolg: “Zo, mijn broeders, bent u ook door het lichaam van Christus gedood met betrekking tot de wet, opdat u aan een Ander zou toebehoren, namelijk aan Hem Die uit de doden opgewekt is, opdat wij vrucht zouden dragen voor God” (Rom. 7:4).

Net als Melchizedek stond de Heere Jezus Christus dus vanaf dat moment niet langer onder de wet. “En dit wordt nog veel duidelijker, als er naar het evenbeeld van Melchizedek een andere Priester opstaat, Die dat niet geworden is op grond van een wettelijk voorgeschreven afstamming, maar uit kracht van onvergankelijk leven. Hij getuigt immers: U bent Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek” (Hebr. 7:15-17). Hij is dus niet Hogepriester op grond van Zijn aardse afkomst, maar uit de kracht van onvergankelijk leven. Vanuit het nieuwe (opstandings)leven is Hij als Hogepriester met Zijn Eigen bloed de hemelen doorgegaan om daar Zijn Offer bij de Vader aan te bieden. Wat een rijk en diep Evangelie!

Nieuwe verbond

Daarbij komt dat de Heere Jezus door Zijn dood en opstanding het Nieuwe Verbond door Zijn bloed inluidde en verankerde. Volgens de Hebreeënbrief gaat het om een superieur verbond wat ver boven het oude verbond uitstijgt. “Nu heeft Hij echter een zoveel voortreffelijker bediening ontvangen, zoals Hij ook van een beter verbond Middelaar is: een verbond dat in betere beloften is vastgelegd” (Hebr. 8:6). Het bijzondere is dat we in Psalm 110 al een eerste verwijzing vinden naar het Nieuwe Verbond. David profeteert over de Messias Die als Koning zal regeren, maar wel naar de ordening van Melchizedek. De combinatie van het koning- en priesterschap vinden we daar al voorzegd. Aangezien dat onder het Oude Verbond onmogelijk was, moest er dus wel een Nieuw Verbond voor in de plaats komen. In Zacharia 6:13, 14 vinden we de Messiaanse vervulling dat Hij straks ‘als Priester op Zijn troon zal zitten’.

Een tiende deel

“Merk nu op hoe groot hij geweest is, iemand aan wie de aartsvader Abraham zelfs een tiende deel van de buit gegeven heeft” (Hebr. 7:4). Abraham zag dat Melchizedek van een hogere orde was. Hij was immers koning-priester van de allerhoogste God. Melchizedek stond boven Abraham en Abraham liet zich daarom door Melchizedek zegenen en gaf hem een tiende van zijn buit. Later kregen de Levieten ook een tiende deel van de inkomsten van de bevolking om zo vrijgesteld te worden voor het werk van de Heere (Num. 18:20-32).

In Hebreeën 7:4-10 gaat de Hebreeënschrijver verder in op Levi. “En – om zo te zeggen – ook Levi, die tienden neemt, heeft door Abraham tienden gegeven. Want hij was nog in het lichaam van zijn vader, toen Melchizedek hem tegemoet ging”. Het is geen eenvoudig gedeelte om te verklaren. Zoals u weet zijn ook de Levieten nazaten van aartsvader Abraham. Toen Abraham zijn tienden gaf aan Melchizedek, gaf in feite Levi – die uit hem zou voortkomen – zijn tienden aan Melchizedek. Dus toen Levi nog in de lendenen van Abraham was, boog hij (in Abraham) al neer voor Melchizedek. Net als Abraham werd Levi bij wijze van spreken al door Melchizedek gezegend en bood hem de tienden van de buit aan.

Het beste deel

Het bijzondere is dat Abraham niet zomaar een tiende deel gaf. Hij gaf een tiende van “het beste”! Later met de offerdienst wilde de Heere ook het beste deel. Je mocht niet zomaar een gebrekkig lammetje nemen dat geen waarde had. Het offerlam moest voor de Heere perfect zijn (Deut. 15:21). Laat dit ook een les voor ons zijn. Ik moet denken aan een bevriende broeder die veel humanitair werk doet. Regelmatig ontvangt hij kapotte kleding waarvan zelfs knopen en ritsen verwijderd zijn. Wat mag het ons kosten bij wat wij weggeven? En boven alles: ontvangt de Heere het beste deel?

We gaan hieronder vanuit Psalm 110 verder in op het Koningschap van Christus. We zullen onder andere ingaan op Melchizedek als koning van Salem. In de betekenis van zijn namen liggen prachtige verwijzingen naar kenmerken van het Messiaanse Vrederijk.

Het Koning-Priesterschap van Melchizedek (Psalm 110)

Waarom belangrijk?

“Waarom staat Melchizedek in de Bijbel? En waarom is het belangrijk te weten dat hij zowel koning als priester was?” Het was deze vraag van een vriendin van ons die me ertoe aanzette om mij te verdiepen in de persoon en de geschiedenis van Melchizedek. We hebben inmiddels al heel wat rijkdommen opgediept en lessen getrokken naar ons persoonlijk geestelijk leven. Maar waarom is het zo belangrijk te weten dat de Heere Jezus – net als Melchizedek – zowel Priester als Koning is?

Ook hebben we al stilgestaan bij Christus als (Hoge)priester. Als de Heere Jezus wel het volmaakte offer had gebracht, maar dat niet als Hogepriester bij de Vader had aangeboden, was er geen verzoening met God mogelijk geweest en zouden wij nog in onze zondige staat verkeren (Hebr. 9:12). Dit geldt voor ieder mens, maar in het bijzonder voor Israël als volk. In de (nabije) toekomst breekt er voor hen nog ‘de Grote Verzoendag’ aan, waarbij ‘heel Israël zalig wordt en alle goddeloosheden van Jakob worden afgewenteld’ (Rom. 11:26; Dan. 9:24). Het volk zal dan het Nieuwe Verbond door Zijn bloed aanvaarden (Matt. 26:28Hebr. 9:15). Maar de Heere is evenals Melchizedek niet alleen Priester, maar ook Koning. Het Joodse volk heeft tweeduizend jaar geleden hun Koning verworpen en daarmee het herstel van het Koninkrijk voor Israël afgewezen. Hoe verdrietig dit ook is, God overziet de tijd en wist dat ze Hem niet zouden (h)erkennen. Jesaja schrijft: “Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht … Wíj hielden Hem echter voor een geplaagde, door God geslagen en verdrukt” (53:3-4). Maar Gods plan gaat verder en overstijgt ons menselijk verstand. In Filippenzen 2 schrijft Paulus dat Christus’ vernedering “tot de kruisdood” nodig was om Hem te verhogen.

“Daarom heeft God Hem ook bovenmate verhoogd en heeft Hem een Naam geschonken boven alle naam, opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen elke knie van hen die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn, en elke tong zou belijden dat Jezus Christus de Heere is, tot heerlijkheid van God de Vader” (vs. 9 t/m 11). Door Zijn dood en opstanding heeft de Heere Jezus een Naam boven alle naam gekregen. Toch heeft nog niet iedere knie zich in de hemel, op de aarde en onder de aarde voor Hem gebogen en belijdt nog niet elke tong dat Jezus Christus Heere is. Satan is dan wel door Christus’ dood en opstanding onttroond, maar nog niet gebonden (Opb. 20:2). Daarom hebben we nog te maken met een (geestelijke) strijd in de hemelse gewesten, die overigens ook op aarde niet aan ons voorbijgaat (Ef. 6:10-20).

Waarom is het eigenlijk zo belangrijk om Hem ook als Koning te kennen? Stel dat de Heere Jezus alleen verzoening voor de zonden tot stand had gebracht, zonder als Koning te zullen gaan regeren. Dan zou de hele schepping ‘zuchtend aan zinloosheid en slavernij onderworpen’ blijven (Rom. 8:20-22). Zolang satan niet is gebonden en Christus’ heerschappij op aarde niet is aangebroken, blijven onrecht en duisternis voortwoekeren. Gelukkig hebben we de vaste hoop dat Christus de schepping bevrijdt en vrede en gerechtigheid brengt. Daarom moet Christus niet alleen Priester maar – evenals Melchizedek – ook Koning zijn. Over dat Koningschap gaat Psalm 110, waarin dus naar deze koning van Salem verwezen wordt (vs. 4).

Psalm 110 in het Nieuwe Testament

Meerdere malen wordt Psalm 110 in het Nieuwe Testament aangehaald. Het gaat om zowel directe als indirecte aanhalingen en verwijzingen. Zo citeert de Heere Jezus in Mattheüs 22:44 het eerste vers: “De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gemaakt zal hebben tot een voetbank voor Uw voeten”.  Aanleiding is Zijn gesprek met de Farizeeën aan wie Hij vraagt: “Wat denkt u over de Christus? Wiens Zoon is Hij?” Waarop zij antwoorden: “Davids Zoon”. Maar dan volgt Jezus’ vraag: “Hoe kan David Hem dan, in de Geest, zijn Heere noemen, als hij zegt: De Heere heeft gezegd tegen Mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden neergelegd heb als een voetbank voor Uw voeten? Als David Hem dan zijn Heere noemt, hoe kan Hij dan zijn Zoon zijn? En niemand kon Hem een woord antwoorden, en ook durfde niemand Hem vanaf die dag meer iets te vragen”.3

De Heere Jezus bepaalt de Farizeeën bij het Messiaanse karakter van Psalm 110. Hoe kan David tegen zijn eigen zoon ‘Heere’ zeggen? Het kan niet anders dan dat de Psalm gaat over de Meerdere van David. Het was opnieuw een bewijs dat Hij de beloofde Messias van Israël is. Zoals reeds gezegd, verwierp het volk de Koning waardoor het Koninkrijk voor Israël werd uitgesteld (Hand. 1:6). Het is daarom belangrijk om Psalm 110 niet als volledig vervuld te beschouwen. De nog onvervulde beloften zullen definitief worden vervuld in de periode van Christus’ wederkomst.

Zittend aan de rechterhand

De tweede keer dat de Heere Jezus Psalm 110 aanhaalt, is in Mattheüs 26:64 waar Hij vlak voor Zijn kruisiging voor de hogepriester Kajafas staat. We lezen: “Maar Jezus zweeg. En de hogepriester antwoordde Hem: Ik bezweer U bij de levende God, dat U ons zegt of U de Christus bent, de Zoon van God. Jezus zei tegen hem: U hebt het gezegd. Maar Ik zeg u: Van nu aan zult u de Zoon des mensen zien zitten aan de rechterhand van de kracht van God en zien komen op de wolken van de hemel”. Hier verwijst de Heere naar vers 1b: “Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gemaakt zal hebben tot een voetbank voor Uw voeten”. Niet veel later vond Zijn dood en opstanding plaats en is Hij als Hogepriester ‘door Zijn eigen bloed het heiligdom eens en voor altijd binnengegaan en heeft daardoor een eeuwige verlossing teweeggebracht’ (Hebr. 9:12). Hij heeft Zijn opdracht vervuld en mag als Hogepriester zitten aan de rechterhand van God (Ef. 1:20Kol. 3:1Hebr. 1:3). Onder het Oude Verbond moesten de priesters altijd staan. Hun taak was namelijk nooit voltooid. Maar de Heere Jezus heeft definitief de prijs betaald en de Wet vervuld. Prachtig beschreven in Hebreeën 10:11, 12: “En iedere priester stond wel dagelijks te dienen en bracht vaak dezelfde slachtoffers, die de zonden toch nooit zouden kunnen wegnemen, maar deze Priester is, nadat Hij één slachtoffer voor de zonden geofferd had, tot in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand van God”. Er komt een moment dat Hij zal opstaan van Zijn hemeltroon en als Koning zal terugkeren om Zijn Koninkrijk op aarde te vestigen. Dan zal Hij gaan zitten op de troon van David (Luk. 1:31-33). Psalm 110 spreekt met name over die specifieke nieuwe fase.

Psalm 110 vers voor vers

“Een psalm van David. De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gemaakt zal hebben tot een voetbank voor Uw voeten” (vs. 1).

Als Christus terugkeert, zal Hij al Zijn vijanden onderwerpen en maken “tot een voetbank voor Zijn voeten”. Hetzelfde lezen we in 1 Korinthe 15:24-28 “Daarna komt het einde, wanneer Hij het koningschap aan God en de Vader heeft overgegeven, wanneer Hij alle heerschappij en alle macht en kracht heeft tenietgedaan. Want Hij moet Koning zijn, totdat Hij alle vijanden onder Zijn voeten heeft gelegd. De laatste vijand die tenietgedaan wordt, is de dood. Immers, alle dingen heeft Hij aan Zijn voeten onderworpen. Wanneer Hij echter zegt dat aan Hem alle dingen onderworpen zijn, is het duidelijk dat Hij Die Zelf alles aan Hem onderworpen heeft, hiervan is uitgezonderd. En wanneer alle dingen aan Hem onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon Zelf Zich onderwerpen aan Hem Die alle dingen aan Hem onderworpen heeft, opdat God alles in allen zal zijn”.

Paulus spreekt hier over de laatste fase van Gods heilsplan waarin uiteindelijk alles wordt overgegeven aan de Vader en God alles en in allen zal zijn. Voordat het zover is, zal Hij – om al Zijn vijanden te onderwerpen – nog duizend jaar als Koning over de aarde moeten regeren. Ondanks dat satan tijdens het Messiaanse Rijk gebonden is (Opb. 20:2), zal er dus nog steeds strijd zijn. Nu niet aangestuurd door satan zelf, maar door opnieuw rebellerende machthebbers en volken die Gods eerdere oordelen over de aarde hebben overleefd.

“De HEERE strekt Uw machtige scepter uit vanuit Sion en zegt: Heers te midden van Uw vijanden” (vs. 2).

De Heere Jezus Christus zal met Zijn machtige scepter te midden van Zijn vijanden regeren. Vaak wordt bij het Messiaanse Rijk gedacht aan het prachtige plaatje waarbij de wolf en het lam samen verblijven en de koe en berin samen weiden. Alles verloopt in goede harmonie (Jes. 11). Natuurlijk zullen deze profetieën werkelijkheid worden. Wanneer je echter de Messiaanse profetieën nader bestudeert, ontdek je ook een andere kant. De Heere zal ‘te midden van Zijn vijanden’ met harde hand moeten optreden. In Openbaring 19 lezen we ook over de “ijzeren staf (scepter)” waarmee Hij de volken zal oordelen. Alle volken zullen zich moeten onderwerpen, maar velen zullen dit niet van harte doen. Dit blijkt ook wel uit Openbaring 20:7-10 waar we lezen dat satan na het duizendjarig vrederijk nog eenmaal losgelaten wordt. En wat blijkt? Veel volken zullen zich achter hem scharen om opnieuw het beleg om Jeruzalem te slaan: “En zij kwamen op over de breedte van de aarde, en omsingelden de legerplaats van de heiligen en de geliefde stad” (Opb. 20:9). Echter niet voor lang, want vervolgens lezen we: “Maar er daalde vuur van God neer uit de hemel en dat verslond hen. En de duivel, die hen misleidde, werd in de poel van vuur en zwavel geworpen, waar ook het beest en de valse profeet reeds zijn”.

Gedurende de duizend jaar zal de Priester-Koning voortdurend moeten optreden. Denk in dit verband ook aan Zacharia 14:16-17 “Het zal geschieden dat al de overgeblevenen van alle heidenvolken die tegen Jeruzalem zijn opgerukt, van jaar tot jaar zullen opgaan om zich neer te buigen voor de Koning, de HEERE van de legermachten, en om het Loofhuttenfeest te vieren. Het zal geschieden dat er geen regen zal vallen op hem die uit de geslachten van de aarde niet zal opgaan naar Jeruzalem om zich voor de Koning, de HEERE van de legermachten, neer te buigen” (zie ook vs. 18-21). De overgebleven volken zullen dus moeten optrekken naar Jeruzalem. Weigeren zij, dan zal de Heere rechtstreeks tegen hen optreden. In sommige Messiaanse Psalmen lezen we ook dat volken veinzend en dus niet van harte zich aan Hem zullen onderwerpen (Ps. 66:381:16). Het Messiaanse Rijk is in feite opnieuw een genade­periode, met dit verschil dat God niet in het verborgene werkt, zoals Hij nu doet, maar zichtbaar aanwezig zal zijn en rechtstreeks zal ingrijpen. De mensheid krijgt opnieuw de gelegenheid om zich aan de Heere en Zijn Gezalfde te onderwerpen.

“Uw volk is zeer gewillig op de dag van Uw kracht, getooid met heilig sieraad; uit de baarmoeder van de dageraad is voor U de dauw van Uw jeugd” (vs. 3).

In Psalm 110 wordt tweemaal gesproken over “de dag” die gaat aanbreken. In het hierboven genoemde vers, maar ook in vers 5: “De Heere is aan Uw rechterhand, Hij verplettert koningen op de dag van Zijn toorn”. Zoals reeds gezegd wordt de periode van de Gemeente gekenmerkt door Gods verborgenheid. Veel mensen stellen nu de vraag: “Waar is God?” en: “Als er een God is waarom grijpt Hij niet in”. Maar op ‘die dag’ zal iedereen de Heere kennen. In de Bijbel vinden we verschillende benamingen voor die dag. De meest bekende benaming is ‘de dag van de HEERE’. Het gaat daarbij niet om een dag van vierentwintig uur, maar om een periode, die zowel het oordeel als de zegenrijke heerschappij van de Heere omvat. Totdat deze dag aanbreekt, zal satan nog vrij spel hebben, maar dan grijpt God in. Dit doet Hij in eerste instantie met oordelen en door de strijd met satan aan te gaan. Alle hoogmoed en verzet tegen de Heere, zal worden gebroken (zie Jes. 2:10, 11 vgl. Openb. 6:12-17). Vervolgens zal Hij aan de verdrukten recht verschaffen en zal Hij regeren met recht en gerechtigheid (Jes. 2:12-21). In de Bijbel vinden we verschillende benamingen voor deze bijzondere ‘dag’. Alleen al in Zefanja 1:14-16 vinden we acht benamingen: “De grote dag van de HEERE is nabij; hij is nabij en nadert zeer snel. Hoor, de dag van de HEERE! De held zal daar bitter schreeuwen! Een dag van verbolgenheid is die dag, een dag van benauwdheid en angst, een dag van verwoesting en vernietiging, een dag van duisternis en donkerheid, een dag van donkere wolken, een dag van bazuingeschal en krijgsgeschreeuw tegen de versterkte steden en tegen de hoge hoektorens”. Jesaja omschrijft het als: ‘de dag van de wraak’ (Jes. 34:863:4); Ezechiël als ‘de dag van de verbolgenheid van de HEERE’ (Ezech. 7:19Zef. 1:14, 18) en Paulus als ‘de dag van Christus’ (2 Thess. 2:2; zie ook: 1 Kor. 1:82 Kor. 1:14Fil. 1:6,10; 2:16).

“De HEERE heeft gezworen en Hij zal er geen berouw van hebben: U bent Priester voor eeuwig, naar de ordening van Melchizedek” (vs. 4).

De Heere zal zowel Koning als Priester zijn naar de ordening van Melchizedek. In het leven van David vinden we daarvan al een kleine voorafschaduwing. Na de zonde van de volkstelling koopt hij de dorsvloer van Arauna. “Vervolgens bouwde David daar voor de HEERE een altaar, en bracht brandoffers en dankoffers” (2 Sam. 24:25). Het is de plaats waar Salomo later de tempel bouwt (2 Kron. 3:1). In Zacharia 6 krijgen we meer zicht op de vervulling van het Koning-Priesterschap. God spreekt tot de hogepriester Jozua: “Zie, een Man – Zijn Naam is SPRUIT – zal uit Zijn plaats opkomen, en Hij zal de tempel van de HEERE bouwen” (vs. 12b). Het is bekend dat “SPRUIT” een van de vele namen van de Messias is (zie o.a. Jer. 23:5). Vervolgens lezen we: “Ja, Híj zal de tempel van de HEERE bouwen, Híj zal met majesteit bekleed zijn, Hij zal zitten en heersen op Zijn troon. Hij zal Priester zijn op Zijn troon; tussen die Beiden zal vredesberaad plaatsvinden” (vs. 13). Het is daarbij heel uitzonderlijk, dat er hier een kroon wordt gezet op het hoofd van hogepriester Jozua. Een heenwijzing hoe beide ambten door de Spruit, de Meerdere van Jozua, de Heere Jezus Christus, in het Messiaanse Rijk vervuld zullen worden.

“Hij spreekt recht onder de heidenvolken, vult het slagveld met dode lichamen en verplettert hem die het hoofd is over een groot land” (vs. 6).

De Heere zal recht spreken en wie zich niet onderwerpt zal de consequenties ondervinden en “verpletterd” worden. Dit begint bij de aanvang van Zijn regering met het oordelen van de heidenvolken (zie Joël 3:9-17). Deze woorden schrikken misschien af en klinken hard in onze oren. We moeten echter bedenken dat tijdens de Christus­regering Gods wetten niet alleen uitgevaardigd, maar ook gehandhaafd zullen worden! Gods vrede zal namelijk zijn gebaseerd op Gods gerechtigheid. Uit Sion zal de wet uitgaan (Jes. 2:3). Ons rechtssysteem is vaak zo lek als een mandje. Denk alleen al aan de 29-jarige Syriër, die gemaskerd en gewikkeld in een Palestijnse vlag een aanslag pleegde op het Joodse restaurant HaCarmel in Amsterdam. Tot verbijstering van de Joodse gemeenschap werd hij na twee dagen alweer vrijgelaten. De Messias zal echter niet alleen vrede brengen, maar ook het recht handhaven. Dan zal “de vrucht van de gerechtigheid vrede zijn, en de uitwerking van de gerechtigheid: rust en veiligheid tot in eeuwigheid” (Jes. 32:17). “Want gerechtigheid zal de gordel om Zijn heupen zijn, en de waarheid de gordel om Zijn middel” (Jes. 11:5; zie ook Ps. 72:12-13101:8). Het interessante is dat de naam Melchizedek betekent ‘Koning van gerechtigheid’. Hij was koning van ‘Salem’, wat ‘vrede’ betekent. In de betekenis van deze twee namen zien we dus de woorden ‘vrede’ en ‘gerechtigheid’ bij elkaar komen en de kenmerken van het Messiaanse Vrederijk onderstrepen.

Psalm 2 vanuit profetisch perspectief

Psalm 110 heeft veel overeenkomsten met andere Messiaanse koningspsalmen, waaronder de Psalmen 2, 21, 45, 72, 89 en 132. Met name in Psalm 2 lezen we hoe de Heere te midden van Zijn vijanden zal optreden. Wie de Zoon niet kust (zich niet onderwerpt), zal met Gods toorn geconfronteerd worden. Net als Psalm 110 wordt Psalm 2 meerdere malen geciteerd in het Nieuwe Testament en ook toegepast op de tijd waarin de apostelen leefden (Hand. 4:25-26). Zij moeten ongetwijfeld gedacht hebben aan het Romeinse juk dat de Heere Jezus zou verbreken als Israël als volk tot bekering zou komen. In die tijd gebeurde dat niet waardoor ook Psalm 2 nog steeds profetisch is en bij Christus’ wederkomst vervuld zal worden.

Magnums dubbelmagnums grote wijnflessen assortiment (momentopname, veranderd voortdurend)

5 liter

860 – Parusso – Barolo

Marco Parusso is een ware artiest. Met veel ervaring maakt hij wijnen van ongekende kwaliteit, finesse en elegantie. Hij maakt indruk met bijzondere wijnen van sauvignon blanc, zeer verfijnde dolcetto, en meesterwerken van de prominente nebbiolo druif. Zijn beroemde Barolo’s zijn vooral te herkennen aan de soepele structuur van de tannines, de weerspiegeling van het unieke terroir, en het rijke karakter van nebbiolo. De kelder van Parusso is gevestigd tussen Castiglione Falletto en Monforte d’Alba, in het hart van het Barolo gebied. Hier bewandelt Marco Parusso zijn eigen pad. Hij mengt zich bijvoorbeeld niet in de ‘traditioneel versus modern’ discussie over Barolo. Ongevoelig voor conventies of trends bekijkt hij zijn oogst met de ogen van een wijnprofessor die maar één doel heeft; om het beste uit zijn druiven halen. Hij ziet zijn wijnen als kinderen, waarbij vooral de tannine van de nebbiolo druif met harde hand opgevoed moet worden. De opvoeding stopt zodra de wijnen in de fles zitten. Dan begint het grote wachten tot de opening, wat bij de flessen van Parusso overigens niet heel lang hoeft te duren. Hierin is het vakmanschap van de meester te herkennen; de wijnen kunnen jarenlang bewaard worden, maar zelfs als ze jong geopend worden is de potentie al in volwassen vorm aanwezig. De familie Parusso is in het bezit van stukken grond in de gewilde ‘cru’ wijngaarden van Barolo, zoals Bussia, Mariondino, en Le Coste-Mosconi. Door alleen natuurlijke gistcellen (door Marco liefdevol ‘de moeder van zijn wijnen’ genoemd) te gebruiken en zijn moderne kelder geheel in dienst te stellen van de druif, komt elk stukje land anders tot uitdrukking in zijn wijnen. Marco Parusso kent zijn terroir en weet precies hoe hij deze karakteristieke bodem tot expressie kan brengen in zijn wijnen. Bij bevederd wild zoals patrijs, fazant, wilde eend en duif en andere lichtgokkende vogels zoals parelhoenders en kwartel – geroosterde gans – carne cruda – rauw rundvlees of kalfsvlees bereid de Piemontese manier – of steak tartaar – gegrilde haasbiefstuk – gestoofd rundvlees in Barolo ( brasato al Barolo ) – beter met jongere wijnen – truffels. Hoewel ze lokaal Barbera of Dolcetto drinken met truffelgerechten zoals fonduta en tajarin (eiernoedels met boter en truffels), werkt Barolo ook goed met deze gerechten – en elk rund- of kalfsvlees met wilde paddestoelen of truffels – risotto met porcini / eekhoorntjesbrood – kaas. Niet alle kazen – een krachtige Castelmagno of Gorgonzola piccante zouden zeker de vulling uit een delicate Barolo kloppen, maar mildere kazen zoals robiolo, grana padano en ‘toma’-achtige kazen zijn heerlijk. Wijnvriendelijke geiten- en schapenkazen zouden ook goed werken.

568 – 2012 – Vina Herminia – Spanje – Rioja – Crianza

Intens, mediumvol aroma met accent op rijpe kersen e ander rood fruit. Gulle aanzet met accent op rijpe, ronde smaaktonen met nuances van hout, kersen en pruimen. Evenwichtig houtgebruik waardoor de structuur elegant blijft. Rijpe tanninestructuur waardoor de wijn een fluwelige smaak krijgt. Bijzondere vermelding: Guía Peñín: 88 punten met V. Herminia Crianza 2007, Concours Mundial Brussel, goud ed. 2009, International Wine and Spirits Comp., zilver ed. 2009, Decanter World Wine Award, zilver ed. 2009.

3 liter

226 – 2014 – Feudi Salentini – 125 Primitivo del Salento Gold Medal – Apulië – Italië – ***

Rood droog – vol & robuust / 12 maanden houtrijping. Elegante donkerrode volle wijn met intens aroma van rijpe pruimen en kersenjam. Licht kruidig met in de finale hints van vanille en cacao. Prachtige structuur met rijpe, volle tannines. Deze wijn won goud op de 19e Berliner Wein Trophy 2015!

227 – Feudi Salentini – Gocce Primitivo di Manduria –  Puglia

De druiven worden zorgvuldig geselecteerd en met de hand geoogst in kleine dozen. Prachtige robijnrode kleur met een ronde en zachte smaak die aroma’s van jam en bessen oproept. Een wijn die zeer kenmerkend is voor deze regio en ook een zeer elegante wijn. Wijn en gerecht: (Geroosterd) rood vlees, streekgerechten uit Puglia.

637 – **** – Monte Zovo – Veneto – Ripasso Valpolicella – JEROBEAM

8 maanden in eikenhouten vaten. Krachtige, aromatische rode wijn met gul, donker fruit van bramen en zwarte kersen en specerijen. Warme, krachtige smaak en afdronk. Het is aan te bevelen de wijn een uur van te voren te openen en te decanteren. Wijn en gerecht: Gastronomische wijn te serveren bij risotto met geschaafde truffel of stevige pastagerechten.

1.5 liter

Château Labadie Cru Bourgeois Médoc – Bordeaux

Diep rood met oranjerode reflectie. Mooie fruitrijke neus met een vleugje vanille. Frisse, elegante smaak van puur zwart fruit met romige houttoets en zachte tannines die voor een delicaat bittertje zorgen.

Magnums dubbelmagnums grote wijnflessen – Wij hebben nog méér mogelijkheden dan hier genoemd!

Reserveer uw Magnums dubbelmagnums grote wijnflessen

Magnums

Dubbelmagnums

Jerobeams

 

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.