Voor Home klik op het Vino Amore logo! info@vinoamore.nl

Vino Amore

Dordrecht historische wijnstad dankzij het stapelrecht!

Dordrecht, historische wijnstad dankzij het stapelrecht!

Een artikel over het verleden van Dordrecht als historische wijnstad!

Dordrecht historische wijnstad dankzij het stapelrecht!

Dordrecht historische wijnstad – Het stapelrecht is een recht dat veel handelssteden – stapelplaatsen – verkregen, of zich zelf toe-eigenden, met name in de Middeleeuwen. Het recht hield in dat goederen die langs een stad werden vervoerd, eerst in de stad moesten worden opgeslagen en daar te koop worden aangeboden. Van oorsprong hield het stapelrecht ook wel in dat er bij iedere transactie tussen buitenlandse handelaren, verplicht een lokale handelaar aanwezig moest zijn. Om deze reden konden steden die zich aan de kust bevonden of aan belangrijke rivieren lagen, zoals Antwerpen en Dordrecht, zich goed ontwikkelen tot een handelsstad in de 14e en 15e eeuw. Met name in de Gouden Eeuw kwamen deze steden tot bloei!

Perkament over Dordrecht als belangrijkste stad van Holland

Perkament over Dordrecht als belangrijkste stad van Holland

Dordrecht historische wijnstad – De Gouden Eeuw

De Gouden Eeuw is een periode in de Nederlandse geschiedenis die goeddeels samenvalt met de zeventiende eeuw. De noordelijke Nederlanden, die samen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden vormden, maakten een bloeiperiode door op gebied van handel, wetenschap en kunsten. Ook wat betreft haar politieke en militaire macht (vooral ter zee) nam de Republiek in de wereld een vooraanstaande positie in. De bloeitijd van de noordelijke Nederlanden was een belangrijke nieuwe fase in de ontwikkeling van de westerse beschaving. Sommigen houden als beginpunt van de Gouden Eeuw 1602 aan, het jaar waarin de VOC opgericht werd; anderen kiezen voor het jaar 1609, het beginjaar van het Twaalfjarig Bestand. Het Twaalfjarig Bestand of Treves was een periode van twaalf jaar van wapenstilstand gedurende de Tachtigjarige Oorlog waarin niet of nauwelijks tussen de Republiek en Spanje werd gevochten. Het bestand duurde van 1609 tot 1621. Tot het einde van het bestand (1621) groeide de economie vrijwel ongehinderd. Tijdens de Dertigjarige Oorlog, die goeddeels samenviel met de tweede fase van de Tachtigjarige Oorlog, was in sommige sectoren sprake van stagnatie, in andere van groei. Na 1648 trok de economie weer aan; vooral voor de nijverheid waren dit zeer voorspoedige jaren. Na het rampjaar 1672, het begin van de Hollandse oorlog (1672–1679), begon een periode van relatieve economische neergang en was de Gouden Eeuw over haar hoogtepunt heen. Een periode van consolidatie volgde.

De handel in wijn, samen met hout en granen, was voor Dordrecht in de Gouden Eeuw een belangrijke bron van inkomsten. Graaf Jan de Eerste bepaalde in 1299 dat alle wijn die vanuit Duitsland via de Rijn naar Dordrecht kwam, eerst in deze stad moest worden uitgeladen. Daarna moest de wijn nog eens 8 dagen in Dordrecht ter verkoop worden opgeslagen. Pas daarna mocht de wijn weer ingescheept worden en naar de uiteindelijke plaats van bestemming vervoerd worden. De stadse allure van Dordrecht blijkt uit de vele stenen huizen, versterkte woontorens en twee grote kloostercomplexen, van augustijnen (nu het Hof) en franciscanen.

Graaf Jan I

Jan werd direct na zijn geboorte verloofd met Elisabeth, de dochter van Eduard I van Engeland aan wiens hof hij ook vanaf 1291 werd opgevoed. Na de dood van zijn vader, in 1296, waarin ook Eduard I een grote rol speelde, aarzelde de koning om hem terug te sturen naar Holland. Hij liet een aantal Engels-gezinde edelen naar Engeland komen, onder wie Jan III van Renesse en Wolfert I van Borselen. Op 7 januari 1297 huwde Jan Elisabeth van Rhuddlan, dochter van de Engelse koning, en mocht hij eind januari, evenwel zonder zijn vrouw, naar Holland terugkeren, onder de belofte dat hij zich hield aan de door de koning toegevoegde raadslieden. Bijna een jaar later, op 10 november 1297, kon hij zijn vrouw in Zeeland ophalen.

In eerste instantie stond de jonge graaf geheel onder invloed van Jan van Renesse. Op 30 april 1297 droeg Jan I, na een machtsstrijd tussen de twee raadsheren, echter het bestuur over aan Wolfert I van Borselen, tot aan zijn 15e verjaardag. Na een conflict met het stadsbestuur van Dordrecht werd Van Borselen op 1 augustus 1299 in Delft vermoord. Hierna benoemden de steden Jan van Avesnes, graaf van Henegouwen, als regent en op 27 oktober 1299 droeg Jan I de regering voor een periode van vijf jaar aan hem over. Twee weken later stierf Jan aan dysenterie, 15 jaar oud, en met hem stierf ook het Hollandse huis uit.

Omdat hij geen directe troonopvolgers had, ging het graafschap naar Jan van Avesnes, graaf van Henegouwen (als Jan II van Holland), zoon van zijn oudtante, Aleid van Holland. Dit was de grondslag voor een personele unie tussen het graafschap Holland en het graafschap Henegouwen, die tot na de Beierse tijd zou duren. Elisabeth keerde in de zomer van 1300 naar Engeland terug. Pas in 1309 werd een regeling getroffen voor de uitbetaling van haar weduwegoed.

Het stapelrecht werd in 1815 officieel wereldwijd afgeschaft tijdens het Congres van Wenen. Maar terug naar het stapelrecht! Veel wijn werd aan wal gebracht met hijskranen. De meeste daarvan stonden opgesteld aan de Voorstraathaven. In die tijd, tussen de 14e en 17e eeuw, was er nog geen sprake van op stoom werkende kranen, laat staan hydraulische exemplaren. Het werk werd gedaan door jonge, of soms zéér jonge sterke arbeiders van klein postuur, die in een tredmolen liepen. Ze werden ook wel kraankinderen genoemd.

Interieur met huzaar en dienstmeid

Dat openbare dronkenschap in de zeventiende en ook in de achttiende eeuw in Dordrecht geen uitzonderlijk verschijnsel was, mag wellicht blijken uit dit schilderij van Abraham van Strij. Toen deze achttiende-eeuwse Dordtse schilder dit werk vervaardigde was hij ongetwijfeld geïnspireerd door een kroegscène van de zeventiende-eeuwse schilder Pieter de Hooch. De Hooch en andere schilders uit de Gouden Eeuw waren voor Abraham en diens broer Jakob belangrijke voorbeelden. De broers bewonderden de oude meesters om hun geraffineerde weergave van het licht. In hun eigen werken trachtten ze hun voorgangers zelfs te overtreffen in helderheid! De huzaar heeft overduidelijk te diep in het wijnglas gekeken en wordt bestraffend toegesproken door de serveerster. Zoals bij zeventiende-eeuwse schilderijen vaak het geval is, heeft deze scène een dubbele bodem. De sabel tussen de benen van de huzaar kan onmogelijk als een onschuldig motief worden gezien. Ook van Strij’s tijdgenoten zullen hebben begrepen wat deze vrolijke drinker zich eigenlijk wenst.

Abraham van Strij - huzaar met dienstmeid

Abraham van Strij – huzaar met dienstmeid

Dordrecht historische wijnstad – Opkomst van de stad

Taalkundig is aannemelijk gemaakt dat alle topografische namen die op -drecht eindigen, hun naamgeving te danken hebben aan het door middel van een touw trekken van schepen door een moeilijk bevaarbaar stuk water. Zo is Dordrecht afgeleid van Thuredriht, het watertje waar schepen doorheen moesten worden getrokken omdat er niet gezeild kon worden of omdat de stroming te sterk was. De smalle verbinding tussen Dubbel en Waal (Merwede) waarvan we de loop nog kunnen reconstrueren heeft aan de stad haar naam gegeven! Dordrecht betekent dus gewoon ‘doortrek’ en het riviertje Thuredrecht (de naam Thure is onzin) was zo smal dat schepen er – zeker met tegenstroom – niet op eigen kracht dóór konden varen. Het trekken van schepen door mensen of paarden is overigens geen ongewoon verschijnsel. We kennen allemaal wel afbeeldingen van trekschuiten. Zolang er nog geen stroomkracht bestond, moesten ook heel wat schepen die stroomopwaarts de Merwede en Waal opgingen, getrokken worden door mensen- of paardenkracht.

Dordrecht historische wijnstad – Dordrecht verliest bevoorrechte positie

In de veertiende eeuw groeit de stad verder en heeft zij weinig concurrentie. In de vijftiende eeuw stagneert de groei en krijgt de stad steeds meer te maken met onvrede van Duitse en Gelderse steden vanwege de hoge onkosten en de drukkende verplichtingen van het stapelrecht.

We zien ook dat andere steden in Holland en Zeeland niet langer genoegen nemen met de bevoorrechte positie van Dordrecht. Daarbij komt dat het graafschap Holland en Zeeland deel gaat uitmaken van een groot rijk, eerst dat van de Bourgondische hertogen, later dat van de Habsburgers.

Bourgondische Hertogen

Met Bourgondische hertogen worden de hertogen van het hertogdom Bourgondië bedoeld, die heersten over het groeiende Bourgondisch rijk tussen 1363 en 1506. De Bourgondische hertogen bleven zich bemoeien met de politiek van het Franse moederland, maar streefden er tegelijk ook naar om de Nederlanden en Bourgondië via een politiek van verovering, gearrangeerde huwelijken en manipulatie tot één machtig rijk te verenigen. De bloei van een machtig ‘Middenrijk’ tussen Frankrijk en het Heilige Roomse Rijk was een van de gevolgen van de Honderdjarige Oorlog. Bourgondië profiteerde van de neergang van zijn buurlanden en zou een vooraanstaande rol spelen in de Europese politiek. Het ontbrak Bourgondië echter aan voldoende cohesie, zodat de bloei slechts van korte duur zou blijken.

Filips de Stoute

Filips de Stoute (Philippe le Hardi) was hertog van Bourgondië van 1363 tot 1404. Hij was de jongere zoon van koning Jan II van Frankrijk. Hij trad in 1369 in het huwelijk met Margareta van Male, het enig kind van Lodewijk van Male. De dood van zijn schoonvader in 1384 bezorgde hem een rijke erfenis: het Franse graafschap Vlaanderen en Artesië, en de dieper in Frankrijk gelegen graafschappen Franche-Comté, Nevers en Rethel. Het blok van de Nederlanden werd in 1384 dus enkel nog vertegenwoordigd door Vlaanderen en Artesië. Filips regeerde over een uitgestrekt gebied, dat twee afzonderlijke blokken vormde:

  • de landen van Derwaarts over: de Bourgondische bezittingen: Bourgondië, Franche-Comté en de Charolais;
  • de landen van Herwaarts over: de lage landen bij de zee: Vlaanderen, Artesië, Antwerpen en Mechelen.

Als echte Franse prins hechtte hij veel meer belang aan de Franse binnenlandse aangelegenheden dan aan die van de Nederlanden. Hij bleef trouw aan de koninklijke dynastie en de Franse belangen. Zijn oudste zoon en opvolger, Jan zonder Vrees, zou meer oog krijgen voor eigen belangen.

Jan zonder Vrees (Jean sans Peur)

Jan zonder Vrees (Jean sans Peur) was hertog van Bourgondië van 1404 tot 1419. Filips’ zoon, Jan zonder Vrees, mengde zich ongebreideld in de strijd tussen de Armagnacs en de Bourguignons, welke hem noodlottig werd. Gebruikmakend van de anarchie die ontstaan was door de krankzinnigheid van de koning, probeerde hij in Frankrijk de macht te grijpen. Hij kwam daarbij echter in botsing met een andere groep eerzuchtige edelen. Op 10 september 1419 werd hij door troepen van de dauphin Karel VII vermoord te Montereau.

Filips de Goede (Philippe le Bon)

Filips de Goede (Philippe le Bon) was hertog van Bourgondië van 1419 tot 1467. Door de gewelddadige dood van zijn vader, Jan zonder Vrees, voerde Filips de Goede voortaan een meer op de Nederlanden gerichte politiek, wat een volledige koerswijziging van de Bourgondische politiek betekende. Filips de Goede verenigde nog meer vorstendommen onder zijn gezag. Hij kocht Namen, kreeg tegen lijfrente Luxemburg, kreeg van Karel VII van Valois Picardië en Kamerijk, omdat hij zich terugtrok uit de Honderdjarige Oorlog. Verder erfde hij Brabant en Limburg en veroverde Henegouwen, Holland en Zeeland. De prinsbisdommen Utrecht en Luik kwamen onrechtstreeks onder zijn gezag, aangezien hij familieleden als prins-bisschop liet verkiezen.

Karel de Stoute (Charles le Téméraire)

Karel de Stoute (Charles le Téméraire) was hertog van Bourgondië van 1467 tot 1477. Karel de Stoute droomde van een bufferstaat tussen Frankrijk en Duitsland door de landen van Herwaarts met de landen van Derwaarts te verenigen. Hij streefde er tevens naar de koningstitel te bekomen van de Duitse keizer. Hij kocht gebieden in de Elzas en veroverde Lotharingen, maar werd door de Zwitsers verslagen, en sneuvelde zelf, bij de stad Nancy toen hij Zwitserland poogde in te palmen.

Maria van Bourgondië

Maria van Bourgondië was hertogin van Bourgondië van 1477 tot 1482. Na de dood van Karel de Stoute sloeg Lodewijk XI van Frankrijk bliksemsnel toe. De Fransen bezetten het kernland van Bourgondië, Franche-Comté en de Charolais, en rukten op in Picardië en Artesië. De koning probeerde tevens zijn zoon en dauphin Charles te laten huwen met Maria van Bourgondië, de dochter van Karel de Stoute. Deze 20-jarige was niet in staat het leger van de Franse koning het hoofd te bieden, aangezien het leger van haar vader vernietigd was, en er in de steden in de Nederlanden opstanden heersten. De redding kwam van keizer Frederik III. Diens zoon, Maximiliaan van Habsburg, huwde met Maria en de keizer zond een leger om Lodewijk XI te verdrijven. Ook de steden werden zich op dat moment bewust van het Franse gevaar en steunden de hertogin in haar strijd tegen Frankrijk. De Franse veroveringen bleven hierdoor beperkt tot Bourgondië en Picardië. Maria stierf plotseling in 1482 door een jachtongeval en liet twee kinderen achter, Filips de Schone en Margaretha van Oostenrijk.

Maximiliaan van Oostenrijk

Maximiliaan van Oostenrijk was hertog van Bourgondië van 1482 tot 1493. Na de dood van Maria van Bourgondië trad Maximiliaan van Oostenrijk op als regent (bestuurder). Als toekomstig keizer van het Heilige Roomse Rijk werd hij echter als een vreemde beschouwd, en zijn macht als regent (bestuurder) was beperkt. Toch onderwierp hij Gent en sloot hij vrede met Frankrijk. Door een huwelijkspolitiek kon hij de invloedssfeer van de Habsburgers aanzienlijk uitbreiden. Hij erfde van zijn vader Oostenrijk, Stiermarken, Kraïn, Tirol, Karinthië en Trente. Door zijn huwelijk met Maria van Bourgondië verwierf hij de Nederlanden, Franche-Comté en de Charolais. Door zijn tweede huwelijk, met Blanca Sforza kreeg hij nog het hertogdom Milaan.

Filips de Schone

Filips de Schone was hertog van Bourgondië van 1493 tot 1506. Aanvankelijk een zuiver Bourgondisch vorst, los van de belangenpolitiek van de Habsburgers. Hij handhaafde de vrede met Frankrijk, waarin hij verschilde met de politiek van zijn vader, Maximiliaan van Oostenrijk, en sloot een handelsverdrag met Engeland dat gunstig was voor de kooplieden uit de Nederlanden. In 1496 huwde hij met Johanna van Castilië, dochter van de koning van Spanje. In 1500 kreeg hij, door het overlijden van al de andere erfgenamen, uitzicht op de Spaanse troon en de pas ontdekte Nieuwe Wereld. Voortaan offerde hij de belangen van de Nederlanden aan die van zijn eigen dynastie. Hij ging hand in hand met zijn vader Maximiliaan en voerde een internationaal beleid. Zijn zoon Karel V zou koning en keizer worden van het Habsburgse wereldrijk.

Deze genoemde  vorsten kwamen nog maar zelden in Holland, laat staan dat ze nog een speciale relatie met Dordrecht konen onderhouden. Overigens zijn wij dan in een tijd waarin de steden zelfbewuste en zelfstandige eenheden zijn geworden. De burgerij en dan met name het deel dat zich met de handel bezighoudt, heeft zich sterk ontwikkeld. Men onderhoudt internationale contacten en de meest gefortuneerden kunnen zich in aanzien en rijkdom meten met de adel! De groei van de handel en dus ook het welvaren van de stad neemt in de 16e eeuw weer toe! Er staan ons voor deze periode gelukkig méér bronnen ter beschikking om een goed beeld te krijgen van de wijnhandel! Belastingkohieren geven een vrij gedetailleerd beeld van de huizen en haar bewoners. Zo kunnen we er achter komen wie de plaatselijke wijnhandelaars waren en waar ze woonden. Ook worden de opslagkelders vermeld, zodat we kunnen zien dat de Wijnstraat niet voor niets die naam al lange tijd draagt! De Boer heeft in de reeds genoemde Geschiedenis van Dordrecht tot 1572 al gewezen op de concentratie wijnkelders in de stad. Er zijn talrijke facetten aan het boeiende onderwerp van de wijnhandel die om nadere studie vragen. Onderzocht wordt waar de wijnen hoofdzakelijk vandaan kwamen. Welke kooplieden brachten al die vaten per schip naar de Dordtse havens? In hoeverre waren de Dordtse daarin actief? Wat gebeurde er in Dordrecht aan de havens en aan de kade? En welke rol speelde de overheid in dit alles? In de volgende hoofdstukken ga ik daar op in.

Herkomst van de wijn

Verschillende streken in Europa kenden wijnbouw. In de klassieke oudheid kende men uiteraard al wijn en het zijn ook de Romeinen de de kennis hebben overgebracht naar Gallië en Germanië.

Gallië

Toen de Romeinen Gallië veroverden in 51 v.Chr. troffen ze wellicht al Kelten aan die wijn produceerden in wat we nu Bourgogne noemen, hoewel archeologisch bewijs van de aanwezigheid van wijnbouw niet verder teruggaat dan de 2e eeuw n.Chr. Een grafsteen uit die tijd, in de dorpskerk van Corgoloin, toont wat eruitziet als een Keltische god met een wijnrank in zijn rechterhand. Op andere grafstenen zijn druiven(trossen) afgebeeld. Het is echter opmerkelijk dat er in de streek, met name bij de opgravingen van de oude Keltische stad Bibracte veel Italiaanse amphora’s zijn aangetroffen, wat erop kan duiden dat de wijnproductie ter plaatse in elk geval niet voldeed aan de behoefte.

De eerste literaire verwijzing naar de wijnbouw stamt uit 312. In een panegyriek gericht aan keizer Constantijn de Grote ter gelegenheid van zijn bezoek aan Autun (Augustodeunum), belijden de burgers hun armoede. Onderdeel van het grimmige beeld dat de orator schetst, zijn verlaten wijngaarden waar de wortels van de oude wijnstokken zo in elkaar verstrengeld zijn dat een wijnboer nog geen gat in de grond kan graven. Hoe oud de wijnstokken ook waren (en één mensenleven lang verwaarlozen is genoeg om de wortelstelsels inderdaad hopeloos te laten ontsporen) tegen het begin van de 4e eeuw werd volop commerciële wijnbouw bedreven.

De oudste bewaard gebleven loftuiting over de wijnen, stamt uit de Merovingische periode. Gregorius van Tours, die zijn Geschiedenis van de Franken in 591 voltooide, schrijft dat de heuvels ten westen van Dijon een nobele wijn produceren die als een Falernische wijn is – de hoogste lof die een middeleeuwse latinist kon geven. Deze wijn en het zuivere water dat ontsprong rondom de stad waren volgens hem voldoende reden om Dijon tot bisschopsstad te bevorderen. In 587 gaf koning Guntram, kleinzoon van Clovis en zoon van Chlotarius I, een wijngaard aan de Abdij van Sint-Benignus in Dijon. In navolging van hem schonken diverse vorsten wijngaarden aan religieuze ordes zoals die van Aloxe, Fixey, Santeney, Chassagne, Savigny, Pommard en Meursault. In 630 schonk de hertog van Neder-Bourgondië wijngaarden bij Gevrey, Vosne en Beaune aan de Abdij van Bèze, vlak bij Gevrey. Hiermee werd een begin gemaakt met de wijnbouw die monniken eeuwenlang zouden doen in de streek.

De verbreiding van de wijnbouw ging door in de tijd van Karel de Grote (rond 800). Deze keizer was ook voor de wijnbouw in andere Europese landen van grote betekenis. Met de stichting van Benedictijner en Cisterciënzer kloosters werd de wijnbouw systematisch en grootschalig ter hand genomen. Cluny, ten westen van Mâcon, was vanaf het begin van de 10e eeuw het centrum van de Benedictijnen. Deze kloosterorde bezat wijngaarden, en in Gévrey-Chambertin en Vosne-Romanée. De vrome en strenge Cisterciënzers hechtten, onder leiding van Bernard de Clairvaux, zeer aan de combinatie van gebed en landarbeid. Zij ontgonnen en bewerkten ook wijngaarden. Een van de beroemdste wijngaarden die de Cisterciënzers als schenking in bezit kregen was die van Vougeot. In 1336 was deze wijngaard uitgegroeid tot 50 hectare en de kloosterlingen besloten hier een muur omheen te zetten. De grootste (ook tot op heden) ommuurde wijngaard van de Bourgogne was geboren.

De Kerk kreeg heel wat schenkingen van adel en landeigenaren. De reden hiervan: de zekerheid te hebben van een goed leven in het hiernamaals. Wat en hoe men over de rol van de Kerk ook mag denken, toch heeft zij heel wat gedaan rond de gezondheid van de mens. In eerste instantie stond zij in voor zieken en gewonden. Hieruit ontstonden de hospitalen, ´hospices´. Deze kregen tevens schenkingen van wijngaarden, zoals Beaune. Zo ontstond de welgekende wijnveiling van de Hospices de Beaune, uit de verkoop van die wijnen.

Germanië

Met name langs de Moezel werden de eerste wijngaarden aangelegd om de beter gesitueerde Romeinen en lagerofficieren in Trier, Keulen en andere plaatsen van wijn te voorzien. Dat meteen de naam van Trier valt is geen verrassing, het is de oudste stad van Duitsland!

Trier

De naam van de oudste stad in Duitsland gaat terug naar de Keltische stam van de Treveri, wiens territorium zich uitstrekte tussen de Maas en de Rijn in de eerste eeuw voor Christus. De versterkte steden van de Treveri lagen meestal op hoge plateaus, maar Keltische boerderijen en graven werden ook ontdekt tijdens opgravingen in en rond Trier. De sporadische nederzetting van de Trier-vallei gaat nog verder terug en is archeologisch bewezen tot in de periode ongeveer 7.000 jaar geleden. Toen de Romeinse generaal Julius Caesar in 58 tot 50 voor Christus Gallië overwon, bevocht en versloeg hij de Treveri. Deze kwamen later opnieuw tevergeefs in opstand tegen de buitenlandse heersers. Om deze opstand te verdedigen, bouwden de Romeinen in 30 v.Chr. een tijdelijk militair kamp op Petrisberg bij Trier. De overblijfselen zijn het vroegste bewijs van de Romeinse aanwezigheid in het stedelijke gebied van vandaag.

Na decennia van burgeroorlog pacificeerde Augustus het Romeinse rijk en bevorderde de infrastructuur in de nieuwe provincies. Het begin van Trier is daarmee nauw verwant: in de loop van de uitbreiding van hun hoofdwegsysteem, bouwden de Romeinen in 17 v.Chr. een houten brug over de Moezel . Het was de kern van de stad aan de oostelijke oever. De oude naam Augusta Treverorum (= Augustusstadt der Treverer) duidt op een stichting door de keizer, die van 16 tot 13 v.Chr. aan de macht was. Deze periode markeert ook het begin van een ononderbroken stedelijke nederzetting tot op de dag van vandaag. De Augusta Treverorum, die de volgende decennia snel groeide, kreeg een dambord-achtige nederzettingsstructuur. Het centrum van het openbare leven was het forum, gelegen in de oostelijke uitbreiding van de Moezel-oversteek. De stad werd de nieuwe belangrijkste stad van de Treveri, die na een laatste bloedige opstand in 70 na Christus uiteindelijk werd geïntegreerd in de Romeinse heerschappij, taalkundig en cultureel aangepast. Zo gaat dat kennelijk.

Augustus

Het is niet bekend of Augustus Trier ooit heeft bezocht. Het is zeker dat de eerste Romeinse keizer de “peetvader” was van de stad gesticht onder de naam “Augusta Treverorum”. Augustus (63 v.Chr. – AD 14) werd geboren in Rome onder de naam Gaius Octavius ​​als zoon van een praetor. Zijn moeder was een nicht van Julius Caesar. Octavius ​​werd later geadopteerd door Caesar en gebruikt als de belangrijkste erfgenaam. Na de moord op Caesar 44 v.Chr Tijdens de burgeroorlog vocht hij tegen de samenzweerders Brutus en Cassius en later tegen Marcus Antonius, voor zijn erfenis. Na het verslaan van Antonius en zijn geliefde Cleopatra in de zeeslag bij Actium (31 v.Chr.), was Octavius ​​de onbeperkte heerser van het Romeinse rijk tot zijn dood. De senaat kende hem in 27 v.Chr buitengewone bevoegdheden toe en de ere-naam Augustus (“het sublieme”). Het bleek dat het einde van de Romeinse Republiek was bezegeld.

Ondanks de bloedige actie tegen zijn tegenstanders, ging het bewind van Augustus de geschiedenis in als een tijdperk van vrede, welvaart en culturele welvaart. In de loop van de reorganisatie van Gallië, bouwden de Romeinen van 20/19 v.Chr een nieuw hoofdwegennet. De constructie van de eerste (houten) Moezelbrug in de Trier-vallei is een feit. Uit één van de oorspronkelijke palen is onderzocht wanneer precies het bos is gekapt. Dat bleek dendrochronologisch onderzocht in het jaar 17 voor Christus te zijn.

Het is niet bewezen of Augustus zelf ooit Trier heeft bezocht. Wat zeker is, is dat slechts enkele andere steden, waaronder Augusta Vindelicorum (Augsburg) en Augusta Raurica (Augst in Zwitserland), de eer hebben gekregen om naar de heerser te worden genoemd. Het tweede deel van de naam van de nieuwe stad, die tot op de dag van vandaag is gewijzigd, verwijst naar de Keltische inheemse bevolking van de Treveri-stam.

Na het vertrek van de Romeinen bleef er behoefte bestaan aan wijn, een drank die zich inmiddels verzekerd had van de belangstelling van de adel en natuurlijk de geestelijkheid. Lange tijd waren het vooral de kloosters die zich toelegden op de teelt van wijndruiven. Later werden ook geschikte percelen op adellijke domeinen beplant met de edele wijnstok. Naarmate de vraag steeg, vooral door de verstedelijking vanaf de 12e eeuw, gingen steeds meer grote landbouwers zich toeleggen op de wijnbouw, zodat al gauw hele streken – vooral langs rivierdalen – typische wijnstreken werden. Duitse gebieden die toen en ook nu nog bekend zijn om hun wijn: het al genoemde gebied langs de Moezel, de Elzas, de Rheingau tussen Wiesbaden en Rüdesheim en verder Rheinhessen aan de linker zijde van de Rijn. Al deze plaatsen hadden hun stapelplaatsen waar de wijn die niet lokaal geconsumeerd werd, verder kon worden verhandeld. Straatsburg, uiteraard nog een Duitse stad, was het centrum van de Elzasser wijnexport, Mainz fungeerde als stapelplaats van Rheinhessen en andere wijnen uit het midden-Rijn gebied. Alle wijnen die via Moezel en Rijn verder stroomafwaarts gingen, kwamen terecht in Keulen, in de latere Middeleeuwen de grootste Duitse stad, bestuurlijk en kerkelijk centrum en middelpunt van handel en cultuur. Keulen was evenals Mainz en Straatsburg stapelplaats, dus alle koopwaar moest daar worden uit- of overgeladen en op de markt worden aangeboden. Vanaf Keulen werden wijnen verder verhandeld, met name via de Rijn. Na Lobith lagen de waterwegen open naar de steden langs de IJssel en Zuiderzee, via de Rijn naar het Sticht van Utrecht en Holland en via de Waal eveneens naar Holland en verder westelijk gelegen landen en gebieden. Dordrecht was veelal het eindpunt of tussenstation voor het verkeer van Keulen over de Waal en Merwede, maar ook over Rijn en Lek. Het handelsverkeer over deze rivieren was immers uitdrukkelijk opgenomen in het stapelrecht.

Soorten wijn

In de historische bronnen vinden we nauwelijks aanduidingen van type wijnen, bijvoorbeeld wijnen uit de Elzas of de Moezel. De indruk is wel dat we het voornamelijk over witte wijnen hebben, wijnen die men in die tijd graag als tafelwijn gebruikte. Er werd ook rode wijn gedronken, meestal vrij zware wijn die vooral als dessertwijn werd genuttigd. De bekendste wijnen in de Middeleeuwen waren de Malvesije en de Romanije, oorspronkelijk van de Griekse Peleponnesos en Kreta afkomstig, later ook op Sicilië en Sardinië verbouwd. Voorts komen we ook wijnen tegen uit Spanje en Frankrijk met vaak de vermelding van de streek. Maar de hoeveelheden zijn klein vergeleken met de enorme aanvoer van Rijnwijn. In de 15e eeuw wordt de z.g. Westerse wijn, dus aangevoerd vanuit zee, wel steeds belangrijker en er wordt dan ook een makelaardij van de Westerse wijnen ingesteld. Zie hiervoor hoofdstuk IV. De wijnhandel in Dordrecht – makelaars in wijn.

III. De tol die werd betaald voor de wijn

Bij het vervoer over wegen en rivieren werd de handelaar herhaaldelijk aangehouden voor het betalen van tol. Ook nu kennen we nog douanerechten en betalen we soms tol (Kiltunnel Dordrecht) om over een weg of brug of door een tunnel te mogen rijden. In vroeger tijden kwamen vorsten voor een belangrijk deel aan hun inkomsten door middel van een belasting op passende koopwaar. Dit biedt de onderzoeker die met name in de economische geschiedenis is geïnteresseerd de mogelijkheid de handelsstromen van lang vervlogen tijden na te gaan. Er zijn immers nog vrij veel registers bewaard gebleven waarin de ladingen werden genoteerd, waarover tol betaald was. De functionaris van de tol, de tollenaar, moest zorgvuldig aantekening houden van zijn inkomsten, teneinde zich goed te kunnen verantwoorden bij het presenteren van de eindafrekening. Voor Holland is het aantal bewaarde tolrekeningen met registers minder florissant dan voor Gelderland. Er is uit dit gewest erg weinig over, maar daaruit kunnen we toch veel kennis putten, zeker wanneer we die aanvullen met Gelderse tolregisters. Deze bronnen zijn zó belangrijk dat ze integraal zijn uitgegeven. Voor de periode tot 1400 beschikken we over de bronnenpublicatie van Niermeyer, waarin voor Dordrecht met name de rekeningen en registers van de tol en de wissel te Dordrecht van 1380 tot 1385 van belang zijn. Er is ook een tweede deel van deze bronnenpublicatie verschenen, waarin J. G. Smit de tolrekeningen tot circa 1560 gepubliceerd heeft. Beide publicaties zijn online in te zien!

Bronnen van de geschiedenis van de wijnhandel

Voor het nagaan van de geschiedenis van de wijnhandel en met name het vervoer van de wijn over de rivier naar Dordrecht, werd besloten alle Hollandse tolgegevens te gebruiken die voor het verkeer van en naar Dordrecht nog aanwezig zijn, aangevuld met tolgegevens van Gelderse Waaltollen (Nijmegen en Zaltbommel) van dezelfde jaren waarvoor ook Hollandse registers bewaard zijn gebleven. Deze tollen zien immers dezelfde schepen passeren die uiteindelijk in Dordrecht aankomen. De keuze voor dezelfde jaren biedt een goede gelegenheid tot vergelijking. We weten ook immers dat in de tolregisters niet alle ladingen werden genoteerd die voorbij kwamen. De ladingen van vorsten en kloosters waren meestal vrijgesteld, burgers uit het gewest konden de op hun naam staande ladingen eveneens vaak tolvrij vervoeren. Daarnaast konden bepaalde steden, instellingen of personen tolvrijdom genieten volgens een verdrag of privilege. Die ladingen komen we dan niet tegen in de registers. Door de gegevens van Zaltbommel of Nijmegen naast die van Gorinchem te leggen, kunnen we de verschillen en overeenkomsten zien. De toestand van oorlog of vrede is vaak sterk verbonden met het welvaren en de handel. Dat komt ook aan de orde.

1401 – 1450

Uit deze periode hebben we voor Holland slechts wat snippertjes over, drie maanden van het jaar 1422 van de tol van Gorinchem en elf maanden van de jaren 1432/33 van de tol van Schoonhoven. Dit waren grafelijke tollen, gelegen aan de Waal, Merwede en Lek, daar waar deze rivieren het graafschap binnenstromen. Oorspronkelijk was de tol aan de Merwede gelegen bij Niemandsvriend (Hardinxveld) en later Woudrichem. De tol aan de Lek was eerst gelegen bij Ammers. De naam Ammerstol herinnert daar nog aan. Uit het register van Zaltbommel blijkt dat Gelderse kooplieden in de minderheid zijn tegenover vreemde kooplieden. De laatsten blijken Duitsers te zijn uit verschillende Rijnsteden. Hollanders, dus ook Dordtenaren, ontbreken. Uit het register van Schoonhoven blijkt dat ook hier de Duitsers in de meerderheid zijn. Hier worden de plaatsen van herkomst van de kooplieden steeds vermeld. Wezel staat daarbij ver vóór de andere steden. Van het wijnvervoer naar het westen komt ongeveer een derde langs Schoonhoven en tweederde langs Zaltbommel. De totale inhoud van de vaten Rijnwijn die in een jaar aan Waal en Lek geregistreerd werden, bedraagt 765 roeden ofwel ca. 1.150.000 liter. Dat is 11.500 hectoliter. Al deze wijn was op weg naar Dordrecht om daar volgens het stapelrecht te worden opgeslagen of te koop te worden aangeboden. Gegevens over de jaren ’40 ontbreken. We weten dat er dan een ernstige crisis is geweest, waardoor de handel geheel stagneerde. De Duitse en Gelderse steden kwamen op tegen de strenge bepalingen van het Dordtse stapelrecht en de hoge kosten die men in Dordrecht moest betalen.

Een vijftiende-eeuwse handelsoorlog: Dordrecht contra de bovenlandse steden, 1442-1445

De jaren 1420 en 1430 behoren zonder twijfel tot de meer bewogen decennia in de rijke geschiedenis van de Nederlanden. In 1429 en 1430 lijfden de Bourgondische hertogen, die al sinds de veertiende eeuw over Vlaanderen en Artesië regeerden, Namen, Brabant en Limburg in. Na jaren van oorlogsvoering en interne twisten werden daar in 1432 ook Holland, Zeeland, Friesland en Henegouwen aan toegevoegd. Ondertussen woedde de Honderdjarige Oorlog, het internationale conflict waarin hertog Filips de Goede in 1420 de kant van de Engelsen had gekozen. In 1435 maakte Filips echter een radicale ommekeer door zijn alliantie met Engeland in te ruilen voor een pact met de Fransen. Zijn volte face veroorzaakte veel onrust in het Engels-gezinde Vlaanderen, wat samen met enkele andere factoren tot een bloedige opstand leidde in Brugge, een van de belangrijkste Vlaamse steden.

Veel minder bekend is dat de Noordelijke Nederlanden tijdens de jaren 1420 en 1430 ook nog eens af te rekenen hadden met een grootschalig maritiem conflict. De Hollands-Wendische Oorlog of simpelweg Wendische Oorlog was een zeeoorlog van Holland en Zeeland tegen de Wendische steden van de Hanze tussen 1438 en 1441. Hoofdrolspelers in deze vijandelijkheden waren de Hollandse steden enerzijds en Hamburg, Lübeck, Lüneburg, Rostock, Wismar en Stralsund, gekend als de Wendische steden, anderzijds. Verenigd in de Duitse Hanze, het verbond van Noord-Europese handeldrijvende steden, hadden beide partijen tot het einde van de veertiende eeuw nauw met elkaar samengewerkt. Tijdens de eerste decennia van de vijftiende eeuw raakten de relaties evenwel danig verzuurd, voornamelijk door een gebrek aan Hollandse solidariteit met de strijd van de Wendische steden tegen internationale piraten en de Deense koning, die erop gebrand was de Hanze privileges in te perken. De spanningen escaleerden in 1427, met wederzijdse kapingen en represailles tot gevolg. De confrontaties brachten bijzonder veel schade toe, zowel aan de twee betrokken partijen als aan derden zoals de Pruisische steden, en dreigden de internationale handel in de Noordzee tot stilstand te brengen. Interne verdeeldheid langs beide zijden en een dubbelzinnige houding van Amsterdam, waar vele schippers en handelaars hun voordeel meenden te doen met de kaapvaart, deden verschillende pogingen om tot een bestand te komen mislukken. Het conflict nam nog in intensiteit toe in 1438, toen de grafelijke raad van Filips de Goede een kaperoorlog afkondigde en daarmee de Hollanders een feitelijke vrijbrief verleende om Wendische zeevaarders te treffen.

Kaperoorlog

Door de halfslachtige houding van de Pruisische steden en de weigering van de Zuiderzee- en Rijnsteden om te voldoen aan de eisen van de Wendische steden, moest men zich bij elk schip afvragen of het niet bij de vijand hoorde. Door deze onduidelijkheid ontaarde het al snel in een kaperoorlog. Hierbij werden naast Hanzeschepen ook geregeld Engelse, Franse en Spaanse gekaapt. Filips de Goede probeerde dit nog enigszins in goede banen te leiden door ordonnantiën en plakkaten uit te vaardigen, waarbij men slechts met toestemming van de Westfriese steden en de kastelein van Medemblik tot kaperij over mocht gaan, maar het ontbrak aan de middelen om deze te handhaven. Ook de aanstelling op 25 mei 1439 van twee Amsterdamse kaperkapiteins, Claes die Grebber en Aernt Jacobsz, die het bevel moesten voeren over de anderen mocht niet baten. Toen bleek dat ook Vlaamse vissers werden gekaapt, verbood Filips tot 1 maart 1440 het uitvaren van alle gewapende schepen, maar ook hier hield men zich niet aan. De zeeroverij en kapingen hielden pas op nadat de scheepvaart op de Noordzee vrijwel was stilgelegd. Filips bemoeide zich slechts weinig met de oorlog. Binnen zijn gewesten bestonden ook tegengestelde belangen. De Vlamingen waren gebaat met goede verhoudingen met de Hanze, aangezien de Vlaamse havens een belangrijke bestemming vormden van de Duitse kooplieden, vooral Brugge dat een belangrijk Hanzekantoor had. De Vier Leden van Vlaanderen – Gent, Ieper, Brugge en het Brugse Vrije – spanden zich dan ook in voor een vrije doorvaart voor de Hanzeschepen op Brugge en Sluis, wat overigens weinig effect had. Ook hun bemiddelingspogingen tussen Holland en de Wendische steden haalden niets uit. Ook het Hof van Holland had weinig grip op de kaapvaart, dat vooral een particulier initiatief was.

Oorlogsvloten

Naast de kaperoorlog – die door particulieren werd uitgevochten – vertrok begin mei 1438 ook een vloot van 54 grote en 50 kleinere schepen uit Amsterdam onder bevel van een aantal burgemeesters van deze stad. Bij de Wielingen sloten zich enige Zeeuwse schepen van Hendrik II van Borselen aan, waarna men door de Hoofden en het Kanaal naar Brest voer om daar op 29 mei op de rede ten anker te gaan naast een vloot van elf Wendische en drieëntwintig Pruisische schepen. Waarschijnlijk was deze ligplaats bekend doordat de Pruisen op hun uitgaande reis, op 22 maart, kort voor het uitbreken van de oorlog, bij Hendrik van Borselen een vrijgeleide hadden gevraagd. Toen de Wendische schepen ankerop gingen om de haven van Brest aan te lopen, volgden de Pruisische zoutschepen dit voorbeeld dan ook niet.

Op 31 mei werd de Pruisen gesommeerd de Hollandse vloot te volgen naar Zeeland, met de toezegging dat er geen beslag zou worden gelegd op hun schepen. Toen men daar echter op 22 juni arriveerde, legden de Hollanders, ondanks protesten van Hendrik van Borselen, toch beslag op de schepen en handelswaar. De Pruisische en Lijflandse steden benadrukten hierna hun neutraliteit en onthielden zich van de vaart door de Sont.

In de zomer van 1439 vertrok de Hollandse vloot naar de Sont om Erik van Denemarken bij te staan in zijn strijd tegen Christoffel van Beieren. Erik betaalde de kosten van de bezetting van Helsingør en Helsingborg, maar ondernam verder zelf geen actie en vertrok zelfs uiteindelijk naar zijn kasteel Visborg op Gotland. Met Christoffel van Beieren aan de macht was de Sont voor de Hollanders afgesloten, maar met Marstrand als steunpunt wisten ze ook de handel van Hamburg op de Oostzee en die van Lübeck op Bergen stil te leggen. Hierdoor begon men zelfs met kaapvaarten richting Noordzee en de Franse westkust om aan verdiensten te komen.

Ondanks het geringe succes van het voorgaande jaar, rustte men ook in 1440 een vloot uit, ook nu weer met toestemming van Filips de Goede, vanwege de afzetting van Erik. In de tweede helft vertrokken zeventien schepen die nog voor het einde van de maand Helsingør en Helsingborg wisten te bezetten, waardoor de Sont weer open was gesteld. Eind juli wist een vloot van vijfendertig Wendische schepen met steun van de Deense koning in de twee steden echter opnieuw in te nemen. Wel had Christoffel de Hollanders gewaarschuwd, zodat deze konden ontkomen. De koning was tevreden met het herkrijgen van Helsingør en wilde een totale nederlaag van de Hollanders vermijden, zodat de Wendische steden niet te machtig zouden worden.

Op 24 december schreef Lübeck een Hanzedag uit voor 12 maart 1441 om de voorwaarden van vredesonderhandelingen te bespreken. Eind februari of begin maart echter zeilden vijftien zwaar bewapende baardsen de Elbe op waar een groot aantal koopvaarders verbrand of gekaapt werd. Daarna voer men de Weser op waar bij Bremen het tafereel zich herhaalde. Hierna zeilde men rond Denemarken, zodat ook de andere Wendische steden bedreigd werden. Op de Hanzedag had men hiervan gehoord, waardoor de neutrale steden niet genegen waren de Wenden te steunen en de Zuiderzeesteden zelfs overwogen om een verdrag te sluiten met de Hollanders en Zeeuwen. Daarnaast hoorde men ook van vijfentwintig Zeeuwse en twintig Hollandse schepen die bij de Franse westkust de zouthavens van de Hanze bedreigden, zodat Lübeck en Hamburg bereid waren op het Hollandse voorstel in te gaan om in de zomer vredesonderhandelingen te beginnen in Kopenhagen.

Vrede en nasleep

De Wendische afvaardiging verscheen al in juni in Kopenhagen, maar de Hollanders arriveerden pas half augustus. Twee weken later was een wapenstilstand, de Vrede van Kopenhagen, gesloten voor tien jaar. Hierbij verkregen de Hollanders en de Zeeuwen een vrije doorvaart door de Sont, tegen betaling van 5.000 Rijngulden. De Pruisen werden met 9.000 Vlaamse pond schadeloos gesteld voor de onrechtmatige beslaglegging in 1438. Ondanks het verdrag bleven de spanningen met de Hanze bestaan en op 24 juli 1442 verklaarde het voorheen neutrale Bremen de oorlog aan Holland, Zeeland, Friesland en Vlaanderen. Een maand later gaf Filips toestemming aan Amsterdam om een vloot uit te rusten en begon een oorlog die vier jaar zou duren en waarbij de Bremer kaper Grote Gherd in 1443 bij de Sont dertien voornamelijk Zeeuwse schepen wist te kapen. De oorlog werd in 1446 met de Vrede van Harderwijk beëindigd. Ruim tien jaar later ontstonden er ook problemen tussen Amsterdam en Danzig en een definitieve vrede met de Wendische steden volgde pas in de zestiende eeuw.

Nader ingezoomd – de Dordtse kwestie

Het doek gaat open op een Hanzedag te Lubeck in Maart 1441. Daar verschijnen afgevaardigden van Zutfen, Nijmegen, Arnhem, Roermond, ook van Wezel en Duisburg. Een ongewoon bezoek; het gebeurde anders nooit, dat deze binnenlandse steden deelnamen aan bijeenkomsten der Hanze, die immers hoofdzakelijk de belangen van de Oostzeehandel behartigde. Wat de Gelderse en Kleefse heren bewoog derwaarts te gaan? Twee dingen brachten zij in Lubeck te berde: een geschil met Zwolle, dat ons thans niet aangaat; en: klachten over Dordrecht. Naar het schijnt, hebben deze klachten weinig gehoor gevonden bij Lubeck en de overige Wendische steden. Dezen bereidden immers juist de vrede met Holland voor, die in Augustus van dat jaar te Kopenhagen tot stand zou komen; zij zullen er zeker niet voor gevoeld hebben zich ter wille van de Geldersen en Kleefsen een nieuwe ruzie met Dordrecht op de hals te halen. Wel stemden zij erin toe Arnhem en Roermond als leden tot het Hanzeverbond toe te laten; maar het bleef blijkbaar bij een platonische liefdesverklaring. De Gelderse afgevaardigden gingen, teleurgesteld, ontijdig naar huis, hetgeen de deftige Hanzeaten als een belediging opvatten; in het reces van hun dagvaart maakten zij van hetgeen de Geldersen en Kleefsen hadden voorgedragen niet eens melding.

Trouwens, dezen zagen er niet tegen op zonder steun van de Hanze tegen Dordrecht krachtdadig op te treden, want althans één Hanzestad, en een zeer machtige, sloot zich bij hen aan: met Keulen kwam men tot een nauwe samenwerking in de Dortse kwestie. Magistraten van Keulen, Duisburg, Wezel, Nijmegen, Zutfen en Doesburg gingen in die zomer op reis naar Dordrecht, ‘als omme onghelymps wille der van Dordrecht’. Blijkbaar richtten zij er weinig uit; na hun terugkeer vond te Wezel een conferentie plaats, waar, behalve van de reeds genoemde steden, ook afgevaardigden van Emmerik aanwezig en van Kleef, Rees en Grieth althans uitgenodigd waren, ‘omme to spreken, woe men best afleggen mochte ongelymp der van Dordrecht aver den koepman’.

Waarin dan wel de ‘ongelymp der van Dordrecht’ bestond? Een Nijmeegs stuk geeft het zondenregister. Nijmeegse kooplieden, die wijn uit hun kelders naar Dordrecht brengen, zijn gedwongen hun waar dáár te verkopen of althans te kelderen en mogen het goed niet naar believen naar Holland of Vlaanderen doorvoeren, evenmin het naar Nijmegen terugbrengen. Men moet hierin zien een uitvloeisel van Dordrechts aloud systeem, de handel te beperken tot de ‘hoogste markten’. Het Dortse stapelrecht had een welbegrensd rayon; het strekte zich stroomopwaarts tot Keulen en Venlo uit, en berustte op de concentratie van de handel in deze hoogste markten enerzijds, in Dordrecht anderzijds. Tussengelegen plaatsen verwrikten nu dit stelsel; met name Nijmegen verwierf sedert de late 14e eeuw een snel toenemend aandeel in de rivierhandel, Duisburg en Wezel bezaten dat al langer. Dit alles ondermijnde de grondslag van de stapel; vandaar het onvriendelijk optreden der Dortenaren.

Maar de bovenlanders hebben veel meer klachten. Dordrecht heeft een ‘nye onrait’ (een ongebruikelijke belasting) op wijn en op andere waren gelegd. Het belet de Nijmegenaars wijn als ‘overlast’ (deklading) mede te nemen, blijkbaar op schepen, die overigens andere lading bevatten en vrij van stapelrecht zijn. Goederen, die zij ‘van Westen’ (uit zee) invoeren, behoren vrij vervoerd te mogen worden, als ze eenmaal een bepaalde grens gepasseerd zijn. Het gebruik, dat ladingen graan, hout of kolen slechts gedurende drie getijden in de haven van Dordrecht behoeven te blijven liggen om aan het stapelrecht te voldoen, wordt niet meer in acht genomen. Tot slot een pijnlijk incident: Dirk Vige, raadsheer van Nijmegen, liet zijn knecht twee roeden wijn stroomafwaarts voeren; niet op de hoogte met de nieuwe Dortse voorschriften, verkocht de argeloze knecht de wijn in Zieriksee, een overtreding, die aan Vige ‘onrait ende moyenisse’ bezorgde, ofschoon zij buiten zijn schuld geschied was.

Een ander document doet zien, dat de Geldersen bovendien aanspraak maakten op de vrijheid om hun wijnen in Dordrecht ‘heell off in deell’ te verkopen aan wie ze wilden – terwijl toch de uitsluiting der vreemdelingen van de detailhandel een der hoekstenen van de Dortse politiek was – en alle andere goederen, hout uitgezonderd, nadat door verbodeming aan het stapelrecht voldaan was, onverkocht door te voeren; voorts dat ook het tarief der makelaardij gelden in het geding was, alsmede de giften in wijn, die men genoodzaakt was aan tollenaars, makelaars, meters en bootwerkers te verstrekken.

De onmiddellijke aanleiding tot het geschil was kennelijk het ‘ongeld’ of de ‘onraad’ op de overslag van wijn, een belasting, die de bovenlanders als ongebruikelijk en onrechtmatig bestempelden. Van Dortse zijde beschouwde men deze heffing als een retributie voor de gunst, die de stad aan de vreemde kooplieden bewees door hun toe te staan hun wijnen te verbodemen en weg te voeren zonder ze te verkopen. Met andere woorden: bij de ontaarding van het stapelrecht tot een verbodemingsrecht legde Dordrecht zich in de praktijk neer; het poogde evenwel het doorgaande goederenverkeer fiscaal aan zich dienstbaar te maken.

Wordt vervolgd…

IV. De wijnhandel in Dordrecht

Het roeien van de wijn

Makelaars in wijn