Domaine Ramonet
Het is een onweerlegbaar feit dat de meest verheven bladzijden uit de annalen der mensheid niet met inkt, doch met het zweet van noeste arbeid en het goud van de wijnstok zijn geschreven. Om de onpeilbare diepten van Domaine Ramonet te doorgronden, dient men zich niet louter tot de droge feiten van de rurale geschiedschrijving te wenden, maar tot de mythe. Want het was hier, op die ongenaakbare heuvelrug van de Côte de Beaune, dat de aarde zelf besloot haar goddelijkheid met de stervelingen te delen. De kalkstenen gronden van Chassagne en Puligny lagen reeds millennia in een peinzende sluimer, als vorsten die wachtten op de juiste hofmeester om hun schatten te ontsluiten.
Men verhale van een tijd waarin het slijk der aarde nog doordrenkt was van een chthonische magie, lang voordat de moderne machinerie haar intrede deed in de gewijde stilte van de wijngaard. In deze melancholische, in nevelen gehulde vallei, waar de uren trager leken te verstrijken en de adellijke tradities van het oude hertogdom Bourgondië nog weerklonken in het ruisen van de wind, begon een sage die de wereld der oenologie voorgoed zou transformeren. Het is een epos van ruraal aristocratisme, een verhaal over een landbouwersdynastie die, louter door toewijding en een feilloos gevoel voor noblesse, opsteeg tot de absolute hoogste adel van de wijnwereld.
Domaine Ramonet, de aankomst van de aartsvader
Wanneer men de vroege jaren twintig van de twintigste eeuw aanschouwt, bemerkt men een wereld in herstel, doch in Chassagne-Montrachet heerste de eeuwige cadans van de seizoenen. In dit verstilde decor arriveerde Pierre Ramonet (1 maart 1906 – 27 januari 1994). Hij was geen man van nobele geboorte, noch bracht hij een fortuin mee uit de grote metropolen. Zijne bagage bestond uit een canvas knapzak, een ijzeren wil en een zeldzaam, bijna mystiek begrip van de aarde. Gelijk een dolende ridder die zijn lotsbestemming herkent in een vervallen burcht, zag Pierre niet de stenigheid van het terroir, maar de latente grootsheid die daaronder verankerd lag.
In de herbergen van het dorp sprak men met een mengeling van scepsis en ontzag over deze zonderling. Hij bezat de uiterlijke kenmerken van een eenvoudige landman, maar zijn blik verried de visie van een generaal. Met de spaarzame francs die hij had vergaard door onuitputtelijke arbeid, begon hij de percelen te verwerven die anderen te weerbarstig of te armzalig achtten. De eerste akkers in de lieu-dit Les Ruchottes werden zijn proeftuin. Hij vrijwel altijd gezien in zijn kenmerkende, eenvoudige boerenkleding: een versleten trui, een wijde broek en zijn onafscheidelijke pet (casquette). Wat klopt over zijn nachten, is zijn ongekende arbeidsethos. Het is een bekend feit dat hij hooguit vier uur per nacht sliep, en tijdens de oogsttijd sloot hij zijn ogen naar verluidt zelfs helemaal niet. Hij kende zijn land zo intiem dat hij de 140.000 wijnstokken van zijn domein stuk voor stuk persoonlijk snoeide om ze te ‘domesticeren’.
De meest befaamde – en waargebeurde – legende rondom zijn persoon deelt diezelfde mythische proporties. Toen hij in 1978, na een leven lang werken, op 72-jarige leeftijd eindelijk een begeerd perceel van de prestigieuze Le Montrachet-wijngaard kon bemachtigen, verscheen hij bij de notaris in zijn gebruikelijke, afgedragen kleding. Op het moment van betalen haalde hij tot stomme verbazing van de notaris gigantische proppen verfrommelde bankbiljetten uit al zijn broekzakken, legde de berg geld op tafel, haalde zijn schouders op en merkte nuchter op dat het hele bedrag daar wel tussen zou zitten. Hij liet de overrompelde notaris achter en keerde haastig terug naar de veiligheid van zijn geliefde wijnstokken. Hij kende elke stok, elke welving in het landschap, en behandelde hen niet als eigendom, maar als illustere pupillen wier potentieel hij diende te cultiveren.
De aarde beloonde deze devote genegenheid. Waar anderen slechts een schrale oogst wisten te forceren, onttrok Pierre een nectar aan de grond die de vroege belofte in zich droeg van wat later de onbetwiste Ramonet-signatuur zou worden: een weelderige, haast decadente rijkdom, perfect in evenwicht gehouden door een vlijmscherpe, intellectuele mineraliteit. Het was een stijl die herinnerde aan de meest verfijnde conversaties in de salons van Oxford; krachtig van argument, doch gepresenteerd met een onberispelijke, aristocratische gratie.
Domaine Ramonet, het pact met de Nieuwe Wereld en de vestiging van een imperium
Terwijl de reputatie van de jonge patriarch, Pierre Ramonet (1906-1994), in de vroege jaren dertig gestaag groeide onder de connaisseurs van de oude wereld, voltrok zich een gebeurtenis die het domein op het wereldtoneel zou katapulteren. In 1934 – kort nadat de Verenigde Staten in december 1933 de Drooglegging hadden afgeschaft en in een decennium getekend door naderend onheil – betrad een zekere Frank Schoonmaker, een gevierd Amerikaans importeur en een man van exquise smaak, samen met de befaamde Franse wijnmakelaar Raymond Baudoin de bescheiden kelders van Ramonet in Chassagne-Montrachet. Dit was niet louter een zakelijke ontmoeting; het was een fortuinlijke botsing van twee werelden die elkaar in onmiddellijke wederzijdse appreciatie vonden. Schoonmaker, onberispelijk gekleed in een op maat gemaakt tweed kostuum, en de toen pas achtentwintigjarige Ramonet, met zijn aarde-bevlekte handen en onafscheidelijke boerenpet, deelden een transcendente taal: de taal van absolute excellentie.
Schoonmaker proefde de sublieme witte wijnen, waaronder de formidabele Chassagne-Montrachet, rechtstreeks uit de eikenhouten vaten en besefte onmiddellijk dat hij in de aanwezigheid van ongekende grootsheid verkeerde. Het verhaal gaat dat hij zijn notitieboekje sloot, een betekenisvolle stilte liet vallen, en sprak dat deze wijnen niet louter de oversteek naar de Nieuwe Wereld dienden te maken, maar dat zij aldaar de nobelste tafels zouden sieren. En zo geschiedde het. De flessen met het inmiddels iconische, eenvoudige etiket – destijds veelal voorzien van Schoonmakers kenmerkende groene halslabel ‘Frank Schoonmaker Selections’ – werden verscheept naar exclusieve etablissementen zoals de befaamde ’21’ Club en het Waldorf Astoria in New York, alwaar zij een status verwierven die grensde aan het mythische.
De donkere oorlogsdagen die volgden na september 1939, en de daaropvolgende Duitse bezetting van Frankrijk in 1940, wierpen een zware schaduw over de Côte d’Or. Echter, net als de vermaarde colleges van de grote universiteiten die hun deuren stug openhielden in tijden van beleg, weigerde Domaine Ramonet te buigen voor de tegenspoed. Om confiscatie en plundering door de Wehrmacht te voorkomen, metselde men in alle haast valse muren in de kelders. Achter deze provisorische barricades verborg Ramonet de meest exceptionele jaargangen uit het voorgaande decennium, als ware het de kroonjuwelen van de natie die koste wat kost beschermd dienden te worden tegen de invaller. In deze donkere, ondergrondse catacomben rustte de vloeibare geschiedenis veilig en ongestoord, geduldig wachtend op de uiteindelijke bevrijding in 1944 en de dagen van vrede en voorspoed, om vervolgens met des te meer overtuigingskracht en grandeur de kelken van de victorieuze naties te veroveren.
De troonopvolging en de verovering van Le Montrachet
Een dynastie kan pas werkelijk als gevestigd worden beschouwd wanneer de volgende generatie niet slechts het erfgoed bewaart, maar het met verve sublimeert. Hoewel de vroege legende onlosmakelijk verbonden is met aartsvader Pierre Ramonet (1906-1994), was het zijn zoon André (1932-2011), en later de kleinzonen Noël en Jean-Claude Ramonet – die vanaf 1984 de wijngaarden intensief verzorgden en omstreeks 2013 het roer volledig overnamen – die niet alleen de inmiddels veertig hectare aan kostbare percelen in de Côte de Beaune erfden, maar bovenal de compromisloze filosofie. Zij bewogen zich door de kelders in Chassagne-Montrachet met de vanzelfsprekende autoriteit van vorsten in hun eigen rijk, immer gekleed met de intellectuele zwaarte en de nobele houding die het befaamde huis betaamde.
Het meest illustere hoofdstuk in hun annalen werd ontegenzeggelijk geschreven in het jaar onzes Heeren 1978. Al decennialang was het vizier van de patriarch gericht op die ene, absolute climax van de Bourgondische hiërarchie: de Le Montrachet-wijngaard. Dit grandioze terroir, door de eeuwen heen geprezen als de geboortegrond van de meest transcendente witte wijn op deze aarde, kwam zelden tot nooit op de markt. Het was het equivalent van het verwerven van een koninkrijk. Toen de mogelijkheid zich aandiende om een fractie van dit heilige terroir – een minuscuul, exceptioneel perceel van exact 0,2590 hectare in het Puligny-gedeelte, overgenomen van de families Milan en Mathey-Blanches – aan te schaffen, handelde de inmiddels tweeënzeventigjarige aartsvader met de vastberadenheid van een veldheer. Het perceel, gesitueerd net ten noorden van de bezittingen van Bouchard Père et Fils en omvattende twintig zeldzame rijen wijnstokken, werd veiliggesteld op een notariskantoor in Beaune, alwaar de aankoopsom tot de laatste frank in contante biljetten op het bureau werd gedeponeerd.
De aankoop van deze Le Montrachet was niet minder dan een apotheose; het was de magistrale kroon op bijna een halve eeuw van onberispelijke toewijding sinds Ramonet’s eerste noemenswaardige acquisitie in de Ruchottes-wijngaard in 1934. De wijnen die het huis vanaf de nu mythische eerste oogst in 1978 aan dit specifieke stukje grond onttrok, tartten elke beschrijving. Het waren ongeëvenaarde symfonieën van honing, geroosterde hazelnoot, iris en witte bloesem, gedragen door een zinderende mineraliteit en een afdronk die zo langdurig was dat zij de perceptie van tijd leek te vertragen. Degusteren werd een volstrekt filosofische ervaring, een subliem moment van verstilling waarin de verfijnde drinker in direct contact trad met de eeuwige, onmetelijke kracht van de natuur en de ziel van de Bourgogne.

De alchemie van de duisternis
De ware kracht van Domaine Ramonet ligt echter niet uitsluitend in de zonovergoten wijngaarden van de Côte de Beaune, doch in de cryptische duisternis van hun kelders aan de Place des Noyers in Chassagne-Montrachet. Hier heerst een terughoudendheid die bewonderenswaardig is in een tijdperk van technologische arrogantie en oenologische ingrepen. De vinificatie wordt behandeld als een sacraal ritueel, waarbij het menselijk handelen tot het absolute minimum is gereduceerd. Het eikenhout – overwegend met uiterste precisie geselecteerd uit de fijnnervige bossen van de Vogezen en Allier, en waarvan het aandeel nieuw hout doorgaans rigide wordt beperkt tot hooguit drieëndertig procent – fungeert niet als een maskerende kracht. Integendeel, het dient louter als een subtiel architectonisch raamwerk waaraan de wijn zijn grandioze structuur en ragfijne zuren kan ophangen.
Het is in deze koele, welhaast monastieke stilte dat het ‘witte goud’ zijn finale transformatie ondergaat. Het gistingsproces, uitsluitend aangestuurd door de inheemse flora van de kelders zelf, is een langzame, bedachtzame ademhaling. Gedurende twaalf tot achttien maanden rusten de befaamde Grand Crus, zoals de Bâtard-Montrachet (onttrokken aan een bescheiden 0,60 hectare), de in 1974 verworven Chevalier-Montrachet (een uiterst zeldzame 0,14 hectare) en de onovertroffen Le Montrachet (0,26 hectare), roerloos op hun fijne lie. Men onthoudt zich welbewust van frequente bâtonnage, zodat de wijnen ongestoord de kalkrijke wijsheid van het domein kunnen absorberen zonder aan spanning of pure expressie in te boeten. Wanneer zij na deze ascetische rijping uiteindelijk aan de wereld worden geopenbaard, presenteren zij zich met de statigheid van een gedistingeerde heerling: formidabel van postuur, doch met een conversatietoon die nimmer schreeuwerig is, maar immer imponeert door pure diepgang, focus en ongeëvenaarde eruditie.
De geografie der Goden – de zilveren kroon der Premiers Cru’s
Laat ons de blik afwenden van de absolute zenit der Grand Crus en ons verdiepen in de aristocratische hofhouding die hen omringt. Het is in de mozaïek van de Premiers Crus dat de ware alchemist de subtiele verschillen van zijn domein leert dicteren. Voor de familie Ramonet fungeerden de hellingen van Chassagne-Montrachet nimmer als louter landbouwgrond; zij beschouwden deze percelen als een verzameling nobele vazallen, elk met een eigen temperament, een eigen stem en een eigen onvervreemdbare lotsbestemming in de grote symfonie van het domein.
Beschouw allereerst Les Ruchottes, de historische hoeksteen van het huis, alwaar aartsvader Pierre in 1934 – als zijn allereerste, illustere wapenfeit – een cruciaal perceel verwierf. Dit is geen terroir dat zich gemakkelijk laat temmen. De bodem van de ruime hectare die het domein thans bezit, is extreem ondiep en bezaaid met kalkstenen, scherp en meedogenloos, waardoor de Chardonnay-stokken worden gedwongen om in een staat van permanente ontbering te leven. Zij moeten hun wortels wringen door de breuklijnen van de rotsbodem om de dieper gelegen, schaarse wateraders te bereiken. De Ramonet Les Ruchottes weerspiegelt dit spartaanse bestaan feilloos. Het is een wijn van staal en vuurstenen, een ongenaakbare aristocraat met een intellectuele precisie die de geest scherpt en het gehemelte commandeert met een rijpingspotentieel dat decennia overspant. De mythe wil dat de oude Pierre Ramonet hier zijn diepste overpeinzingen hield, bewerend dat de stenen in Les Ruchottes des nachts fluisterden over de oeroude zeeën die hier eens golfden.
Daar tegenover staat de majestueuze Morgeot, gelegen op de lagere, rijkere gronden van de appellatie. Waar Les Ruchottes de ascetische filosoof is, is het circa 1,22 hectare tellende perceel Morgeot de exuberante patriarch. De aarde is hier getint met een diepere, ijzerhoudende rode klei, een nalatenschap van een rijker geologisch verleden. De witte wijnen die Ramonet uit de Morgeot voortbrengt, dragen de weelde van een keizerlijk banket in zich. Zij bezitten een opulente textuur, vlezig en gul, met uitbundige aroma’s van gekonfijte citrus, rijpe perzik en een vleugje weelderige specerijen. Toch verliezen zij nimmer hun nobele ruggengraat; onder de weelderige gewaden van de Morgeot klopt immer het gedisciplineerde, kalkstenen hart van Chassagne.
En dan is er Clos de la Boudriotte, een welhaast geheime omheining ten zuiden van het dorp, een ommuurde tuin van grofweg 1,02 hectare waar de wind slechts fluisterend durft te spreken. Binnen ces muren, geworteld in een bodem van mergel en kalkgrind, heerst een microklimaat dat een serene kalmte over de ranken drapeert. De wijnen van de Boudriotte, en bij uitstek de schaarse, ongefilterde rode exemplaren, bezitten een melancholische elegantie. Ze herinneren aan fluwelen gordijnen en donkerrode kersen, gedragen door tannines zo verfijnd dat zij aanvoelen als de aanraking van zijde op de huid. Het was in deze exclusief met Pinot Noir beplante percelen dat de familie Ramonet onweerlegbaar bewees dat hun meesterschap zich niet louter tot het witte goud beperkte, maar dat zij, de lofzangen op hun Chardonnay ten spijt, evenzeer heer en meester waren over de delicate, capricieuze rode druif.
Noël en Jean-Claude
De meedogenloze passage van de tijd eist onherroepelijk een overdracht van de scepter. In de nadagen van de twintigste eeuw, toen de bekwame aartsvader Pierre ouder werd en het roer geleidelijk overdroeg aan zijn zoon André (1932-2011), viel de zware, doch eervolle taak van het feitelijke beheer vanaf 1984 in toenemende mate toe aan diens zonen, de gebroeders Noël en Jean-Claude Ramonet. Deze twee mannen belichaamden de perfecte dualiteit die noodzakelijk is om een imperium van inmiddels ruim zeventien hectare aan absolute topterroirs in stand te houden. Zij waren de twee pijlers waarop de tempel van Ramonet in de moderne tijd rustte, schijnbaar tegengesteld qua karakter, doch absoluut onlosmakelijk met elkaar verbonden in hun lotsbestemming om de dynastie de eenentwintigste eeuw in te leiden.
Noël Ramonet was de introverte, in oenologie geschoolde mysticus van de kelders. Een man van weinig woorden, met ogen die leken te turen in dimensies die voor de gewone sterveling verborgen bleven. Hij schuwde het felle licht van de commercie en trok zich bij voorkeur terug in de koele, kalkstenen vochtigheid van zijn ondergrondse heiligdom. Hoewel hij de academische theorie meester was, werkte Noël liever niet met louter wetenschappelijke formules of kille scheikundige analyses; hij werkte met instinct, met generaties aan overgeleverd gevoel en met een bijna bovennatuurlijke intuïtie. Hij beheerste de kunst van het ‘niets-doen’, het geduldig observeren van de rijpende wijn op vat – doorgaans twaalf tot vijftien maanden, met een strikt gereguleerd aandeel van dertig tot vijfendertig procent nieuw eikenhout voor de Grand Crus – zonder onnodig in te grijpen. Hij besefte ten diepste dat de grootste meesterwerken in stilte en duisternis worden gesmeed. Zijn beslissingen over de exacte duur van de rijping op de droesem, waarbij de techniek van de bâtonnage uiterst spaarzaam werd toegepast, waren legendarisch; hij oordeelde op basis van de textuur, de glans en de geur die de gewelven vulde, als een ingetogen priester die de opstijgende wierook leest.
Zijn jongere broer, Jean-Claude, geboren in 1965, vormde daarentegen het extraverte, stralende gezicht van het domein naar de buitenwereld toe. Hij was de onvermoeibare, aristocratische ambassadeur, de man die de prestigieuze flessen met een onberispelijke distinctie presenteerde op de met hagelwit linnen gedekte tafels van de meest illustere etablissementen ter wereld. Jean-Claude begreep de verfijnde taal van de internationale wijnconnaisseurs, de complexe diplomatie van de fijne wijnmarkt en het vitale belang van het compromisloos uitdragen van de familiefilosofie. Bovenal droeg hij echter de zware fysieke verantwoordelijkheid voor de wijngaarden, waar hij de erfenis van zijn grootvader in ere hield door de rendementen genadeloos laag te houden – frequent geplafonneerd op een schamele 35 tot 40 hectoliter per hectare – en de historische oude stokken, de eerbiedwaardige vieilles vignes, met een haast religieuze toewijding te verzorgen. Waar Noël de onvergankelijke ziel van de wijn smeedde in de kelders, daar gaf Jean-Claude deze nobele ziel een grandioos podium in de wijde wereld.
Samen navigeerden de broers het roemruchte domein door de steeds complexer wordende wateren van de moderne oenologie, onwrikbaar vasthoudend aan hun categorische weigering om zich te conformeren aan vluchtige modegrillen, overextractie, of de luide roep om snelle, makkelijke drinkbaarheid. Tot hun uiteindelijke, in der minne geschikte opsplitsing in het volgende millennium, bleef de klassieke Ramonet-stijl onder hun gezamenlijke hoede volstrekt compromisloos: massief, intellectueel gestructureerd en stellig gebouwd voor een eeuwigheid in de kelder.
De toorn van Sirius en de vloek van de tijd
Zelfs de meest verheven paleizen blijven niet gespaard voor de meedogenloze grillen van de goden. Bij de aanvang van het nieuwe millennium kreeg de Bourgogne, en in het bijzonder de Côte de Beaune, af te rekenen met oenologische plagen die welhaast bijbels van aard leken. Allereerst was er de onverbiddelijke stijging van het kwik, onheilspellend ingeluid door de beruchte, dodelijke hittegolf van het oogstjaar 2003. De zomers werden structureel verzengend; de vurige adem van de zonnegod Sirius verschroeide de kwetsbare hellingen en dreigde het delicate, koele evenwicht van de nobele Chardonnay definitief te verstoren. Waar menig gerenommeerd domein capituleerde onder de hitte en zware, logge wijnen met onstuimige alcoholpercentages produceerde, pijnlijk beroofd van hun karakteristieke spanning, daar weigerde Ramonet te buigen.
De wijngaardeniers van Ramonet herinnerden zich de onwrikbare lessen van hun voorvaderen en vertrouwden blindelings op hun terroir. Zij wisten dat de diepe, oeroude kalksteen en de waterhoudende mergellagen onder de Bâtard en de Montrachet als een spons fungeerden, een vitaal reservoir van koelte en vocht in tijden van extreme droogte. Met chirurgische precisie pasten de gebroeders in de loop der jaren hun viticultuur aan: door gecontroleerd enherbement (het strategisch laten floreren van bodembegroeiing om de waterhuishouding en groeikracht te reguleren) en een minutieus rognage (het beheer van het bladerdek), creëerden zij schaduwrijke, beschermende kloosters voor de druiventrossen. De ijzeren wijnbouwerswet van weleer – exact honderd dagen wachten na de bloei alvorens te oogsten – werd resoluut overboord gegooid. Zij oogstten nu soms al na vijfentachtig dagen, in de laatste, zwoele nachten van augustus of bij de allereerste zilte schemering, om de absolute puurheid en de flonkerende zuurgraad van de vrucht te vrijwaren. In het aansicht van deze meedogenloze klimaatverandering bewees het domein zijn suprematie door wijnen te blijven produceren die, zelfs in excessieve zonne-jaren als 2015 en 2018, fonkelden met de helderheid van een geslepen diamant, schijnbaar onverschillig voor de hittegolven die het land teisterden.
Echter, een andere, nog donkerdere en verraderlijkere vloek sloop de kelders van de hele regio binnen: de gevreesde premature oxidatie, in de wandelgangen huiverend ‘premox’ genoemd. Dit sluipende fenomeen, dat zich halverwege de jaren negentig – en met name hardnekkig vanaf de befaamde oogstjaren 1995 en 1996 – aandiende, zorgde ervoor dat nobele witte Bourgognes onverklaarbaar snel verouderden en hun gouden schittering verloren lang voor hun tijd. Het was een existentiële crisis die de harten van verzamelaars wereldwijd met angst en argwaan vervulde. Terwijl de intellectuele elite van de wijnwereld verhit debatteerde over de verborgen nadelen van zachte pneumatische persingen, de reductie van sulfiet (SO2) bij de botteling en de frequentie van de bâtonnage (het omroeren van de droesem), greep Domaine Ramonet – na een onvermijdelijke, harde confrontatie met het spook in de late jaren negentig – resoluut terug op zijn ijzeren, traditionele discipline.
Zij herzagen per direct hun contracten met leveranciers, controleerden genadeloos de structurele dichtheid van hun kurken en investeerden louter in de meest feilloze, ultra-dense afsluitingen van maar liefst vierenvijftig millimeter lang. Bovenal hielden zij onverstoorbaar vast aan hun trage, traditioneel oxidatieve opvoeding op het eikenhout. Dit ogenschijnlijk paradoxale proces, waarbij de jonge wijn in zijn prilste jeugd al gecontroleerd in aanraking komt met zuurstof waardoor de meest kwetsbare fenolen voortijdig oxideren en neerslaan, fungeerde als een meesterlijk vaccin tegen latere, fatale oxidatie op de glazen fles. Als ware ridders in een belegerde burcht verdedigden zij met de rug recht de onberispelijke integriteit van hun kelders, waardoor de gevierde naam Ramonet synoniem bleef staan voor superieure wijnen die een kwarteeuw met moeiteloze gratie en ongeschonden vitaliteit konden trotseren.
De overdracht van de sleutels
In de meest recente annalen van dit grootse epos zijn wij getuige van een nieuwe, gracieuze overgang die de continuïteit van de dynastie waarborgt. Met de formele opsplitsing van de familiale bezittingen omstreeks 2013 en de daaropvolgende oprichting van Domaine Jean-Claude Ramonet, wordt een vitaal nieuw hoofdstuk toegevoegd aan de geschiedenis. Thans treden zijn dochters, Anne-France en Chloé Ramonet, op de voorgrond. Zij hebben de onpeilbare taak op zich genomen om het meesterschap dat hun overgrootvader Pierre in 1934 vestigde, met vaste hand door het eenentwintigste-eeuwse tijdperk te dragen.
De zusters treden in de sporen van giganten, doch zij doen dit met een gedecideerde, feminiene distinctie en een scherp oog voor de moderne eisen van duurzaamheid. De ruim dertig verschillende appellaties die thans onder het label van Jean-Claude en zijn dochters vallen, worden met een nog grotere ecologische gevoeligheid benaderd. Er wordt gewerkt volgens de principes van de lutte raisonnée, met een diep respect voor de biodiversiteit en de bodemgezondheid dat de oude Pierre – die de natuur immers als zijn enige ware meester beschouwde – ongetwijfeld met goedkeuring zou hebben gadegeslagen. De essentie, de onwrikbare as waaromheen het gehele domein draait, blijft echter onveranderd: de cultivering van pure genialiteit uit de brute, stenige aarde van de Côte de Beaune.
De flessen met de naam Ramonet zijn vandaag de dag meer dan louter wijn; het zijn artefacten, liquide getuigenissen van menselijke volharding en natuurlijke perfectie. Of het nu de verfijnde dorpswijnen uit Chassagne betreft of de monumentale Bâtard-Montrachet, waarvan het huis nog immer een aanzienlijk aandeel van circa 0,60 hectare bezit: om een glas van dit huis te degusteren, is het proeven van de geschiedenis zelve, gebotteld in vloeibaar goud. De erfenis is veilig; de stem van de kalksteen spreekt onder leiding van de nieuwe generatie helderder dan ooit tevoren.

Domaine Ramonet – Domaine Bachelet-Ramonet
Het is van cruciaal belang dit onderscheid met de nodige genealogische precisie te duiden, teneinde elke verwarring in de annalen der wijnhistorie te voorkomen. Er is wel degelijk een wezenlijk en aanzienlijk onderscheid tussen het mythische Domaine Ramonet en het welgeachte Domaine Bachelet-Ramonet, hoewel beide huizen hun wortels hebben verankerd in dezelfde illustere bloedlijn die teruggaat tot de late negentiende eeuw.
Laat mij u meevoeren naar de tijd waarin een zekere Claude Ramonet, oorspronkelijk uit een molenaarsfamilie in Beaune, zich vestigde in Chassagne-Montrachet. Deze aartsvader bracht drie telgen voort die de toekomst van het dorp zouden herdefiniëren. Twee van zijn zonen, de legendarische Pierre (1906-1994) en diens broer Claude, legden de fundamenten voor wat wij heden ten dage kennen als het onvolprezen Domaine Ramonet. Dit is exact het domein waaraan wij ons mythische epos hebben gewijd; het huis dat onder de bezielende en Spartaanse leiding van grootvader Pierre, en later zijn zoon André en kleinzonen Noël en Jean-Claude, opsteeg tot de absolute en onbetwiste hoogste adel van de witte Bourgognes.
De dochter van de oer-vader Claude Ramonet, en dus de zuster van de oude Pierre, trad echter in het huwelijk met een heer genaamd Georges Bachelet. Uit de vruchten van deze nobele verbintenis, en de daarmee gepaard gaande samenvoeging van diverse wijngaarden en pachtcontracten, ontkiemde Domaine Bachelet-Ramonet. Dit landgoed opereert derhalve reeds sinds de formele oprichting in 1964 volstrekt onafhankelijk van het illustere huis van haar broers. Het beslaat een verdienstelijke dertien hectare — waaronder prestigieuze percelen in de Criots-Bâtard-Montrachet — en werd lang geleid door Alain Bonnefoy, de schoonzoon van Georges Bachelet, die de fakkel inmiddels heeft overgedragen aan zijn zoon Arnaud Bonnefoy.
Wanneer wij de statuur en de alchemie in de kelder van deze twee verwante domeinen beschouwen, ontwaren wij een wereld van verschil in zowel stijl als marktpositie. Waar Domaine Ramonet de onaantastbare status van vloeibaar goud geniet — hetgeen zich weerspiegelt in astronomische waarderingen en een welhaast pijnlijke exclusiviteit op de internationale veilingen — profileert Domaine Bachelet-Ramonet zich als een gerespecteerd en standvastig landgoed. Zij produceren onder leiding van de familie Bonnefoy buitengewoon zuivere, klassieke en gulle wijnen die de ware typiciteit van Chassagne-Montrachet eer aandoen, doch zij doen dit tegen een geldelijke waardering die aanzienlijk minzamer is voor de beurs van de kenner.
Men zou het, om in aristocratische sferen te blijven, als volgt kunnen formuleren: Domaine Ramonet is de regerende monarch wier zeldzame verschijning de hoven van New York tot Tokyo in vervoering brengt, terwijl Domaine Bachelet-Ramonet de uiterst gerespecteerde, zij het bescheidener landadel vertegenwoordigt, bij wie men immer verzekerd is van een uitstekend, eerlijk en gastvrij glas.

De Bloedverwanten van Clos de la Boudriotte
Wanneer men de zacht glooiende heuvelrug ten zuiden van het dorp Chassagne betreedt, stuit men op een eeuwenoude, verweerde stenen muur. Binnen deze veilige omheining bevindt zich de Clos de la Boudriotte, een geprivilegieerd subklimaat van de uitgestrekte Morgeot-appellatie. Het is een waarlijk majestueus amfitheater, door de natuur zelve ontworpen en gezegend met een microklimaat dat de gure noordenwinden buitensluit en de weldadige warmte van de namiddagzon behoedzaam vasthoudt. De aarde kleurt hier, op dit perceel van circa twee hectare, aanzienlijk dieper en rijker dan op de schrale flanken; het is een complexe melange van ijzerhoudende, okerkleurige klei en vergruisde kalksteen, die een edele voedingsbodem biedt voor zowel de gracieuze Pinot Noir als de verheven Chardonnay.
Het is exact op deze gewijde grond dat de nalatenschap van de oorspronkelijke patriarch Claude Ramonet tastbaar wordt. De kostbare percelen van Domaine Ramonet (circa 1,02 hectare) en Domaine Bachelet-Ramonet (circa 0,98 hectare) rusten hier welhaast gebroederlijk naast elkander. Hun stokoude wortels verstrengelen zich diep in de donkere aarde, puttend uit dezelfde ondergrondse wateraderen en zich koesterend onder de onverbiddelijke Bourgondische zon. Doch, zodra de trossen de veilige schoot van de wijngaard verlaten en de duisternis van de respectievelijke kelders betreden, scheiden de paden van de twee families zich op fundamentele wijze.
Aan de ene zijde ontvouwt zich de compromisloze alchemie van Domaine Ramonet. Hun interpretatie van de Clos de la Boudriotte is er een van intellectuele strengheid en monumentale architectuur. De wijnen, gesmeed met een spartaanse discipline, worden onderworpen aan een langzame rijping op eikenhout (waarbij het aandeel nieuw hout bij de Premier Crus vaak rond de vijfentwintig procent ligt). Het resultaat is een elixer dat in zijn jeugdjaren vaak gereserveerd aandoet, als een onneembare vesting. Echter, voor de connaisseur die de beheersing bezit om deze flessen een decennium te laten rusten, openbaart zich naderhand een symfonie van witte truffel, gedroogde specerijen en een zinderend stenige afdronk.
Daartegenover staat de uitnodigende filosofie van Domaine Bachelet-Ramonet. De huidige behoeders, de familie Bonnefoy, benaderen exact ditzelfde strookje terroir met een fluwelen hand. Hun incarnatie van de Clos de la Boudriotte is een lyrische ode aan de gracieuze kant van Chassagne-Montrachet. De wijnen tonen zich in hun vroege jaren reeds verleidelijk en ontsluiten zonder aarzeling hun hart met een boeket van rijp fruit en zijdezachte tannines. Het is een minzame aristocraat die u wellevend met open armen ontvangt, in scherp contrast met de norse kasteelheer van zijn wereldberoemde neven.
Deze dualiteit beperkt zich geenszins tot de ommuurde tuinen. Zelfs in de heilige Bâtard-Montrachet Grand Cru bezitten beide facties hun eigen onschatbare rijen ranken. Waar de Bâtard van het grote Domaine Ramonet (0,60 hectare) een titanische, hypergeconcentreerde heerser is die met overmacht de tafel commandeert, daar levert Bachelet-Ramonet – vanuit hun perceel in de aangrenzende Criots-Bâtard-Montrachet (0,06 hectare) en Bâtard (0,13 hectare) – een interpretatie die zich kenmerkt door een florale, ongedwongen elegantie.
Aldus ontwaren wij hoe een enkele rurale dynastie twee volstrekt uiteenlopende meesterwerken aan de wereld heeft geschonken. Het is het ultieme bewijs dat de stenige aarde het goddelijke canvas vormt, doch dat de ware ziel van een grandioze wijn wordt gedicteerd door de visie van de hofmeester die heerst over de vaten.

