Vino Amore

Duitsland

De wijnbouw in Duitsland is, ondanks de noordelijke ligging van het land naar grootte de vierde van de wijnproducerende landen in Europa. Zowel in kwantiteit als kwaliteit heeft dit land een gedegen wijneconomie. Van de jaarproductie wordt gemiddeld 20% geëxporteerd. Duitsland kent 13 kwaliteitswijnbouwgebieden. Op twee na in het voormalige Oost-Duitsland, zijn deze gesitueerd in het zuidwesten en westen. Zes ervan liggen in de deelstaat Rheinland-Pfalz. Naast de kwaliteitswijnbouwgebieden zijn er nog wijngaarden verspreid over andere delen van het land. Onder andere in het noorden van het land worden tafel- en landwijnen geproduceerd. Jaarlijks wordt er een wijnkoningin gekozen om de consument over de wijn uit deze 13 wijnbouwgebieden te informeren. Duitse wijnbouwers proberen een harmonie te vinden tussen zuur en zoet in hun wijnen. Door de tamelijk noordelijke ligging, rijpen de druiven traag en wordt er dikwijls laat geoogst.
De wijnstokken in Duitsland zijn door de Romeinen naar het Moezelgebied en Rijndal gebracht om hun legers te voorzien van wijn. Na de val van het Romeinse Rijk hielden voornamelijk kloosters zich bezig met de wijnbouw. Wijngaardnamen als Klostergarten, Jesuïtenhof, Kirchenstift enz., herinneren daar nog steeds aan. In de middeleeuwen groeide het areaal met druivenstokken tot meer dan 300.000 ha. Dat is drie keer zoveel als wat er tegenwoordig staat. Het middeleeuws klimaatoptimum heeft daar zeker aan bijgedragen. In deze tijd was Duitsland het tweede belangrijkste wijnland, na Frankrijk. Men produceerde niet uitsluitend witte wijnen. Uit citaten van Shakespeare blijkt dat Duitse wijn hoofdzakelijk rood was, van de pinot noir. Omdat er gezien de vrij geringe plaatselijke consumptie een enorme overvloed aan wijn was, is men deze gaan exporteren naar landen als Nederland, Engeland en Scandinavië. Later ook naar andere Europese landen. De wijngaarden lagen grotendeels langs rivieren, wat het vervoer vergemakkelijkte. De Elzas hoorde indertijd bij Duitsland, en vele Engelse en Hollandse handelaren vonden de wijnen van die kant van de Rijn de beste. Vanaf de 16e eeuw ging het bergafwaarts met de Duitse wijnbouw. De Kleine IJstijd, de Duitse Boerenoorlog en de Dertigjarige Oorlog waren hier debet aan. Op 30 oktober 1787 vaardigde de Aartsbisschop en vorst van Trier, Clemens Wenceslaus van Saksen, een verordening uit waarin stond dat alle inferieure druivenrassen moesten worden gerooid. Uitsluitend kwaliteitsrassen, zoals de Riesling, mochten nog aangeplant worden. De bierproductie werd na 1900 enorm populair en bracht meer geld op en menig wijnbouwer schakelde over op dat product. De herstelschulden, die Duitsland volgens het Verdrag van Versailles moest betalen na de Eerste Wereldoorlog, veroorzaakten een nieuw dieptepunt in de agrarische industrie van Duitsland. Het waren de spotgoedkope mengwijnen met merknamen als Liebfraumilch, die net de kop boven water konden houden. Vanaf midden jaren 70 zijn steeds meer individuele wijnmakers (Duits: Winzer) zich gaan bezighouden met het uitwissen van het goedkope imago die de Duitse wijnen in het buitenland had gekregen. Door vereniging in gilden kunnen zij zich beter verweren tegen de massawijnen.